Het ergste hebben ze nu gehad

Er is niet veel bekend over menselijk gedrag onder extreme omstandigheden als opgesloten zitten in een mijn.

Ermee experimenteren is ethisch onverantwoord.

Negentien dagen opgesloten in een ingestorte mijn, op grote diepte en in grote hitte. En dan nog maanden moeten wachten op redding.

„Maar het ergste hebben ze gehad, denk ik”, zegt de Nederlandse psycholoog Berna van Baarsen: het martelende wachten is voorbij. Van Baarsen onderzoekt het menselijk functioneren in extreme situaties. „Dat er nu contact met de buitenwereld is”, zegt ze, „is ontzettend belangrijk. Hoop op redding is een zeer sterke emotie.” Het grootste gevaar is nu tegenslag in het reddingswerk. „En dat er problemen komen met de familie boven de grond. De mijnwerkers moeten zich geen zorgen hoeven maken over hun families. Die moeten goed worden opgevangen.”

Volgens de eerste berichten zijn de kompels vele kilo’s afgevallen, maar in goede gezondheid. In de vluchtruimte waarin ze na de instorting hun toevlucht zochten, was dus niet overvloedig voedsel aanwezig, maar kennelijk genoeg om te overleven tot het contact werd gemaakt.

Voeding, communicatie en enige medische zorg kunnen worden aangeleverd via het smalle verbindingsgat dat geboord is. Veel meer dan wachten op definitieve bevrijding kunnen de mijnwerkers waarschijnlijk niet doen. De feestvreugde boven en onder de grond over het hervonden contact is nu groot, maar dat zal slijten. Vanaf nu zal het grootste gevaar in de diepte psychologisch zijn.

Veel wetenschappelijk onderzoek naar gedrag onder deze extreme omstandigheden is er niet. Experimenten onder extreme omstandigheden zijn ethisch onverantwoord. Het enige dat er op zit is ‘toevallige noodsituaties’ achteraf onderzoeken – en geen ervan is zo extreem als die van de 33 mannen op 700 meter diepte. De meeste mijnwerkers overleven na een ongeval niet eens 17 dagen zonder contact en reddingsoperaties langer dan een paar weken zijn ook zeldzaam. Er zijn wel de belevenissen van het Uruguayaanse rugbyteam dat in 1972 met familieleden en supporters na een vliegtuigongeluk 72 dagen maanden moest overleven op 4.000 meter hoogte op een Andesberg. Van de 45 overleefden er 16, onder andere omdat ze uiteindelijk besloten de doden op te eten. Er zijn veel boeken over geschreven, en later is er zelfs een film over gemaakt (Alive, uit 1993), maar wetenschappelijk onderzoek lijkt er toen niet te zijn gedaan.

Wetenschappers kijken nu wel naar de overwintering van teams van metereologen en biologen op de noord- of zuidpool en bijvoorbeeld naar de gang van zaken bij groepen die voor survival-tv-programma’s de woestijn intrekken. Vrouwen zijn dan over het algemeen vooral bezig met het welzijn van de anderen, mannen willen duidelijke doelen, liefst iedere dag een nieuwe: zoveel metingen doen, zoveel kilometer lopen – het soort ‘wedstrijdjes’ dat soms ook de overleving in gevaar brengt. Gemengde groepen schijnen het beste zijn. En iedereen mist verschrikkelijk zijn vrienden en familie. Verder wordt de sfeer na verloop van tijd grimmiger en ontstaan verveling, ruzie en lichamelijke klachten. Onder spanning kan er ook gemakkelijk een weinig productieve wij-tegen-zij-sfeer ontstaan in het contact met de buitenwereld. De vraag is hoe deze mijnwerkersgroep daar allemaal mee om zal gaan.

Psycholoog Van Baarsen promoveerde ooit op de eenzaamheid van weduwen en is nu verbonden aan het Vrije Universiteit Medisch Centrum. Ze is ook hoofdonderzoeker van het Mars-500-project, waarbij in Moskou zes mensen 520 dagen lang een reis naar Mars naspelen, met alle isolement van dien. „Maar in Chili zijn ze met 33. Ongelofelijk, zoveel mensen. En veel meer dan wachten kunnen ze waarschijnlijk niet doen. In Moskou moeten de mensen iedere dag veel taken en onderzoeken doen. Net als in echte ruimtestations. Dat kan je ook gaan vervelen, maar dat is toch anders.”

Toch ziet het er op het eerste gezicht in Chili niet zo slecht uit, is de indruk van Van Baarsen. „Het zijn mensen die elkaar waarschijnlijk goed kennen en veel kennis hebben van de omstandigheden in de mijn. Als er een leidersfiguur is en er taken verdeeld kunnen worden, dan scheelt dat heel veel.”

En die leidersfiguur lijkt er te zijn, in de persoon van de 63-jarige Mario Gomez, een voorman van de groep, die al direct een kalme brief schreef en in een plastic zakje aan de boor bond waarmee het eerste contact werd gelegd. Aan die boor zat ook al een ander, korter briefje waarop met rode verf stond: „Met alle 33 van ons gaat het goed in de schuilplaats.” Gomez beschreef met balpen op een notitiepapiertje onder andere precies waar het boorgat zat. En hij vertelde dat de mijnwerkers de eerdere boorpogingen hebben horen mislukken. „We zijn er nog achteraan gegaan”, schrijft Gomez.

„Dat is goed”, is het commentaar van Van Baarsen, „die mannen moeten onder de grond ook het gevoel houden dat zij zelf ook kunnen bijdragen aan de reddingspoging.” Het boorgat zit nu op twintig meter van de vluchtplaats waar de mannen zitten, schrijft Gomez, een duidelijke aanwijzing dat ze meer ruimte hebben dan alleen de schuilkelder. Van Baarsen: „Persoonlijke leefruimte is ook heel belangrijk!” 

In de brief, die aan zijn vrouw Lila gericht is, lijkt Gomez zelfs een grapje te maken: „Zeg tegen Ávalos dat er deze maand geen rapport meer gaat komen.” De sfeer lijkt redelijk: „Het gaat me goed, ik hoop hier dankzij God gauw uit te komen, met geduld en vertrouwen... Ik wil tegen iedereen zeggen dat het goed gaat en dat we hier levend uit zullen komen.” Maar het is Gomez ook duidelijk dat het nog lang gaat duren: „Ik hoop gauw met Alonso te spreken [zijn schoonzoon], hoewel we daar nog maanden op zullen moeten wachten. Dit bedrijf moet gaan moderniseren.” Dat laatste lijkt onverholen maar toch beschaafde kritiek op het mijnbedrijf.

Een van de dingen die nu gaan gebeuren is dat er snel een telefoonlijn wordt aangelegd. Van Baarsen: „En dan kan er direct contact komen met de familie, op een natuurlijke wijze. In ons Marsproject gaan we straks een vertraging opbouwen van 20 minuten, zo lang doen de radioverbindingen er dan over. Maar dit zal heel natuurlijke communicatie zijn. En dat is goed.” Al kan het gebeuren dat één van de mijnwerkers dan breekt, zegt ze. Hoe dat zal gaan, is moeilijk te voorspellen. „Iedereen slaat door op zijn eigen manier. Maar omdat de mannen elkaar kennen, weten ze waarschijnlijk ook hoe ze elkaar kunnen kalmeren.”