Geen mens in de bioscoop en toch uit de kosten

Europese en Nederlandse speelfilms krijgen subsidie om een plekje in de door Amerikaanse cinema gedomineerde bioscopen te veroveren. Is er sprake van ‘legestoelensubsidie’?

Alex de Ronde, directeur van de Amsterdamse bioscoop Het Ketelhuis, loopt naar zijn computer en tikt wat getalletjes in. „Stel dat een bioscoopkaartje zeven euro kost. Dan gaat daar zes procent BTW af. En veertig procent van de opbrengst gaat naar de distributeur van de film die je vertoont. Dan hou je zo’n vier euro per kaartje over. Dat betekent dat je dus 126 kaartjes krijgt van het Filmfonds. Soms krijg je meer kaartjes cadeau dan je zelf verkoopt.”

De Ronde heeft het over de vijfhonderd euro per week die hij van het Filmfonds ontvangt als hij een artistieke Nederlandse film in zijn bioscoop draait. Die regeling is bedoeld om het vertonen van kleine, kwetsbare films als David Verbeeks R U There of De vliegenierster van Kazbek te bevorderen. Maar die vijfhonderd euro krijg je niet zomaar. Zo moet een film minimaal vier weken draaien en minimaal vijf dagen per week op courante tijdstippen, legt Ger Bouma van het Filmfonds uit. „Als je een film om negen uur ’s ochtends draait, krijg je het geld natuurlijk niet.”

Vier Nederlandse films per jaar vallen onder deze vertoningsregeling, films die een steuntje in de rug kunnen gebruiken. Bouma: „Nothing Personal viel ook onder de regeling, die bleek zo succesvol dat het niet nodig was geweest. Zoiets kun je vooraf niet voorzien.” Als extra stimulans krijgt de bioscoopeigenaar ook duizend euro om de film lokaal te promoten. De Ronde beaamt dat er bioscopen zijn die netjes aan de minimale voorwaarden voldoen, de film dan meteen na vier weken weer uit hun theater halen en hun subsidie opstrijken. Hij niet: „Het is onzin een film voor lege zalen te vertonen.”

Maar inderdaad, dat gebeurt wel. Cijfers van diverse filmtheaters tonen aan dat R U There ondanks zeer matige bezoekcijfers - twintig tot dertig man per week - toch gewoon gedraaid werd om het Filmfondsgeld op de bankrekening te krijgen. Officieel wil niemand hier iets over zeggen, off the record hoor je termen als ‘legestoelensubsidie’ en wordt er aan het nut getwijfeld.

Het Filmfonds geeft ook subsidie aan distributeurs die kleine arthousefilms uitbrengen, zoals de documentaire over zanger Youssou N’Dour: I Bring What I Love. Hiervoor gelden ook strikte regels. Zo krijgen Kroatische films meer punten dan Franse, wordt er rekening gehouden met de status van de regisseur (hoe onbekender, hoe meer punten) en moet de film in minstens drie kopieën worden uitgebracht. Bouma heeft een budget van 160.000 euro voor 16 films, en 150.000 euro voor distributeurs om arthousefilms aan te kopen.

Bij het verdelen van zijn subsidie houdt Bouma rekening met een andere subsidiestroom, die van de Europese Unie. De EU heeft het MEDIA Programma dat de productie, distributie, vertoning en promotie van de Europese film stimuleert. Vooral om de hegemonie van Hollywood tegen te gaan: zo’n tachtig procent van de bioscoopfilms is Amerikaans. Het MEDIA Programma heeft in zeven jaar 755 miljoen euro te verdelen over 32 landen. Nederland haalt daar op jaarbasis zo’n vier miljoen euro uit, vertelt Dominique van Ratingen van het Mediadesk Nederland, die de Europese subsidieregeling begeleidt. Een deel daarvan, gemiddeld zestig cent per bezoeker, wordt achteraf uitgekeerd op basis van de kaartverkoop en een deel vooraf, als een soort voorschot aan de distributeur die een Europese film wil aankopen.

De cynische gedachte dat je middelmatige Europese films voor lege zalen kunt draaien omdat je er toch wel geld voor krijgt, wordt weersproken door Jan Onderwater van distributeur Cinemien. „Je krijgt nooit meer dan vijftig procent terug van het bedrag dat je investeert. Als distributeur loop je altijd een eigen risico. Heel soms trekt subsidie je wel over de streep, zoals bij de Spaanse film Gordos.” Zonder gaat het gewoon niet, zegt Onderwater. „Zo’n twintig procent van ons aankoopbudget bestaat uit subsidiegelden”.

Commerciëlere Europese films komen niet in aanmerking voor subsidie, legt Van Ratingen uit. „Films met een productiebudget hoger dan vijftien miljoen euro bijvoorbeeld, die redden het wel op eigen kracht”. Toch worden ook dat soort films soms flink gesubsidieerd, zoals Slumdog Millionaire. Van Ratingen: „Daar is ook in Brussel discussie over. Het is niet de bedoeling, maar zoiets kan incidenteel gebeuren.” Omdat de subsidie voor een groot deel wordt uitgekeerd op basis van bezoekcijfers, kan het dus voorkomen dat films die toch al succesvol zijn de meeste steun krijgen. Subsidie als succesbonus.

Brussel beoogt de diversiteit van de filmcultuur te promoten door filmtheaters die aangesloten zijn bij het Europa Cinemas-netwerk, in Nederland dertig filmhuizen, geld te geven. Vorig jaar ruim 600.000 euro. Al moeten ze daarvoor natuurlijk een percentage Europese films vertonen, ongeveer een kwart van hun aanbod. „Het gaat om het stimuleren van Europese cultuur,” zegt Onderwater, „dat is een goed initiatief.”

Rectificaties / gerectificeerd

Correcties & aanvullingen

Op de foto bij het artikel Geen mens in de bioscoop en toch uit de kosten (24 augustus, pagina 8) staat niet Anamaria Marinca maar Madelief Blanken, in de film De vliegenierster van Kazbek.