Eerst zien en dan pas geloven

Deze zomer duikt nrc.next in het verenigingsleven.

Vandaag: de supportersclub van Vitesse, voor wie in de laatste anderhalve week nogal wat veranderd is.

Omdat ik in Arnhem geboren ben, werd ik Vitessesupporter. Zo gaat dat nu eenmaal. Mijn ouders woonden toen in de buurt van stadion Nieuwe Monnikenhuizen. Als Vitesse thuis speelde, pisten er supporters in de tuin en mochten we niet voor het raam staan. Vanaf het seizoen 1979-1980 ging ik er zelf kijken. Met mijn vader. We stonden op de overdekte staantribune en genoten vooral van het gekanker van de supporters, want Vitesse speelde slecht en degradeerde. Een seizoen later, in de eerste divisie, viel mijn vader tijdens de wedstrijd tegen Cambuur (0-5) samen met wat anderen van de tribune. Hij had een gat in het hoofd en moest met een ambulance naar het ziekenhuis. Daarna ging hij niet meer mee. Ik ging voortaan met mijn broer en wat vrienden.

In vak CC heerste de Spykerside, genoemd naar het Spijkerkwartier in Arnhem. Ze hadden shawltjes om de polsen geknoopt, droegen spijkerjacks zonder mouwen, dronken bier en scholden negentig minuten lang op de eigen spelers. Het spreekkoor ‘De Rijn, de fles, de hoeren en Vites’ bleef hangen in mijn geheugen.

Toen het weer goed ging met Vitesse, moest je opeens ruim voor het begin van de wedstrijd aanwezig zijn, anders kwam je het vak niet meer in of je zag niets. Bij de toegangsdeur naar het vak stond een vrouw met claustrofobie. Zij bepaalde of het vol was. Kaartje of geen kaartje.

Na de verhuizing naar stadion Gelredome – ‘The Ultimate Home of Events’ – verdriedubbelde het aantal toeschouwers en veranderde de sfeer. Na een bloeiperiode onder Karel Aalbers zakte de club langzaam weg.

Het dieptepunt werd deze zomer bereikt.

De halve selectie vertrok, het personeel was verzocht om vrijwillig salaris in te leveren en trainer Theo Bos moest met een stuk of dertien jeugdspelers de eredivisie in.

Alles draaide om ‘bezuinigen’.

Voorzitter Maasbert Schouten gaf het goede voorbeeld. Hij gaf net als zijn grote idool Dagobert Duck geen cent teveel uit en nam regelmatig een kook- en stoommaaltijd van de Albert Heijn mee naar het werk. Op de Zuidtribune van het Gelredome noemden ze hem ‘ons spaarvarken’.

Twee weken geleden – Vitesse was toen nog ‘een gewone club’ – kwam ik op het geweldige idee een stukje over de supportersvereniging van Vitesse te schrijven. Ik vond dat mensen die de club in deze tijden trouw bleven, wel wat aandacht verdienden. Gezien de latere ontwikkelingen een wat beroerde timing, maar goed.

Na de eerste thuiswedstrijd van het nieuwe seizoen bezocht ik supportershome ‘Nieuw Monikkenhuizen’, een houten keet op het parkeerterrein bij het Gelredome. De sfeer was uitgelaten. Vitesse had – tegen de verwachting in – met een veredeld jeugdteam van ADO Den Haag gewonnen.

Op een houten verhoging sprak middenvelder Nicky Hofs met een rood hoofd tot de supporters. Hij was een van negen spelers, die de club in de zomer wegens geldgebrek had moeten laten gaan. Hij ging voetballen op Cyprus bij AEL Limassol. „Ik heb hier twaalf jaar gezeten”, zei Nicky Hofs. „Dat gaat je natuurlijk niet in de kouwe kleren zitten.”

Op zijn T-shirt zat een speldje, voor de wedstrijd was hij in de middencirkel voor ‘al die jaren trouwe dienst’ uitgeroepen tot ‘Zilveren Vitessenaar’, een van de hoogste onderscheidingen van de club. Voetballen op Cyprus was anders dan bij Vitesse. „Het is daar hartstikke werm, eigenlijk een bietje te werm voor ons.” Hij miste Vitesse. „Als ze ooit een emmertje geld over hebben, kom ik graag terug. Want Vitesse zit in mijn hart.”

Er werd geklapt.

Ik dronk bier met Ralph Gerritsen, de voorzitter van de supportersvereniging. Hij was een volslanke man en runde een bureau, waarmee hij Nederlanders hielp om te emigreren naar Canada, Australië of Nieuw-Zeeland. Hij begon over zijn club, die ruim drieduizend leden had. Ze hadden met z’n allen heel wat meegemaakt de afgelopen jaren, maar voor het eerst sinds lange tijd had hij een positief voorgevoel. „Er is totaal geen geld bij Vitesse. Dat is natuurlijk jammer, maar ze zetten in op de eigen jeugd. Arnhemse jongens. De club komt er nu eerlijk voor uit dat er geen verwachtingspatroon is. Er worden ons geen gouden bergen meer beloofd. Heerlijk.”

De secretaris van de vereniging kwam erbij staan. Hij had op de computer ‘met wat knippen en plakken’ een shirt ontworpen dat populair was onder supporters. Het was een zwart shirt, waarop het gewei van een hert stond. Eronder een tekst in het Arnhems: ‘Geel Swert Hert.’

Anderhalve week later was alles anders.

Na afloop van de persconferentie waarbij de overname van Vitesse bekend werd gemaakt, trof ik Ralph weer. Hij stond met een delegatie van de supportersvereniging onderaan de roltrap te wachten op Merab Jordania. Onder zijn arm een geelzwarte sjaal. De nieuwe eigenaar van de club was wat uit zijn doen vanwege kritische vragen van journalisten. Dat ging in Georgië anders. Hij had zin in een sigaret en wilde telefoneren, maar hij nam de tijd. Ralph sloeg een arm om hem heen en samen hielden ze de sjaal omhoog. Een fotograaf van Zwart op Geel, het orgaan van de supportersvereniging, legde het tafereel vast. Hij droeg het T-shirt met het hertengewei. Wat Merab Jordania toen dacht, zullen we waarschijnlijk nooit weten.

Een paar dagen later belde Ralph. Hij had ‘meneer Jordania’ inmiddels ontmoet in zijn kantoor op het Gelredome. Ze hadden wat aan elkaar gesnuffeld en hij had daar ‘een positief gevoel’ aan overgehouden. Hij mocht Merab zeggen en concludeerde: „Hij heeft een warm hart voor de supporters.”

Hij begon over zijn mooiste Vitesse-herinnering ooit. De uitwedstrijd tegen Werder Bremen voor de UEFA-cup. „De Autobahn kleurde geel-zwart. Ik heb de hoop dat die tijden herleven.”

De stemming onder de supporters was opgetogen, maar niet euforisch, zei hij. „We hebben hier zoveel meegemaakt. We blijven Arnhemmers. Die zeggen: eerst zien, dan geloven.”