Vijftien oproepen gemist

„Hee! Ja, eíndelijk! Waar ben je?! Ik heb je zo’n miljoen keer geprobeerd te bellen!”

„O, echt? Ik heb helemaal geen gemiste oproepen gezien. Maar jij hebt een iPhone, toch? T-Mobile ligt al de hele tijd plat. Al mijn sms’jes naar iPhones zijn niet verzonden. Maar waar ben je? Je hebt mijn vestje.”

„Wat?”

„Ik versta je niet, waar?”

„...je iets duidelijker praten, de muziek staat een beetje hard. Ik hoorde nu alleen maar WUOWUOOOWUWOOEE. Loop anders even weg.”

„Je staat onder een L? Welke L?”

„In de Grolschtent. O, je staat onder de L van Grolsch. Oké, blijf daar, ik loop er nu naartoe. Ik ben de anderen allemaal kwijt, die gingen naar een onbekende dj. Ik loop op dit moment langs iemand in een kippenpak. En nu komt hij op me af. O nee o nee o nee, ik wil niet versierd worden door een kip. Ah, hij waggelde me voorbij, hij wilde gewoon een burrito.”

„Nee, dat je je tent niet meer kan vinden is niet per se een goede reden om met iemand naar bed te gaan.”

„Ieuw, een meisje met bolhoed is knock-out gegaan tussen de afgekloven kippenbotjes.”

„Natuurlijk, ik lag ook vanmiddag tussen platgetrapte patat in het gras te slapen, maar dat is nog acceptabel. Kippenbotjes gaan te ver.”

„Wat, gaan jullie lopen? Waar naartoe?”

„Nee, Daft Punk komt écht niet in de Bravo. Het was een roddel.”

„Maar vraag dan of ze even wachten, ik ben er bijna! Ik sta nu vast in de Alpha-file.”

„Rechts vooraan bij het podium? Met je gezicht naar het podium toe of andersom?”

„Ik versta je niet meer, mijn telefoon piept. O, ik heb een sms’je van jou. Dat je in de X-ray staat. Je ging toch naar de Bravo?”

„Van vanmiddag. Aha. Wacht, mijn telefoon piept weer… Ja, vijftien gemiste oproepen van jou. Van vanmiddag.”

„Ik ben er. Wacht, wacht, er springt een jongen zonder T-shirt om mijn nek. Ik ben nu besmeurd met zijn zweet én zijn neonroze schmink. Zei je nou dat je naast iemand staat met een bamboeplant aan zijn rugzak?”

„Ik zie acht bamboeplanten.”

„Iedereen zwaait. Dat heeft de dj net letterlijk gevraagd. Hoe kan ik dan jouw hand zien?”

„Zullen we anders teruggaan naar ons plekje bij het water. Naast die speelgoedtonijnen van Greenpeace.”

„SPEELGOEDTONIJNEN. TÓ-NIJN. TÓ-NIJN. Nee, TO-NIJ-NEN...! Laat maar.”

„O, o, o, ik zie je! Draai je eens om! Omdraaien! O shit, jij bent het niet. Je lijkt er niet eens op! Sorry! Nee dat was tegen dat meisje.”

„Omdat ik aan je haar trok. Haar haar.”

„Lief? Ik versta je niet meer. Waar? Nee echt, waar ben je? Nee, nee, niet ophangen, je hebt mijn vestje!”

Renske de Greef