Verdienen

In een aanval van zwakheid liep ik in Alkmaar een antiquariaat binnen. Thuis had ik al boeken genoeg, maar als je ze een poosje niet hebt gezien, is het net of het er minder zijn geworden.

De deur stond open en er walmde die ranzige lucht van te oud papier uit, waar de echte boekenverzamelaar krols van wordt. Zo’n verzamelaar ben ik niet, maar ik hoop toch altijd een paar incourante titels van mij dierbare schrijvers te bemachtigen.

Het interieur van de winkel leek uit een ondoordringbaar woud van boeken te bestaan. De wanden waren tot aan het plafond met volle schappen gevuld en in de gangpaden versperden op elkaar gestapelde dozen vol boeken een vrije doortocht.

De eigenaar kon ik zo gauw niet vinden, misschien was hij al bedolven onder zijn eigen boeken. Ik vond wel een gave Gerrit Krol die ik nog niet had, De oudste jongen, en schuifelde daarmee voorzichtig door de winkel op zoek naar iets wat op een kassa leek.

„Komt u maar”, hoorde ik opeens een stem zeggen.

Een kleine man van middelbare leeftijd wenkte me vanuit een van de gangpaden. Ik liep naar hem toe en gaf hem het boek.

„Krol?” zei hij met enige verbazing.

„Is dat zo vreemd?”

Hij knikte. „Er zijn eigenlijk drie schrijvers van wie ik nooit iets verkoop: Krol, Brakman en Lanoye.”

„Lanoye ook?”

Hij knikte.

„En hoe lopen de beroemde schrijvers die nog niet zo heel lang dood zijn?”

„Hermans redelijk, Reve beter, Claus en Boon beroerd. Wolkers verkocht vooral kort na zijn dood voortreffelijk, je kunt wel zeggen dat het de dooie schrijver is waar ik het meest aan heb verdiend.”

„Heeft u nog veel van Boon?”

Ik had het beter niet kunnen vragen.

„Twee dozen vol”, zei hij, en hij begon ze meteen voor mij uit de vloer te graven.

„Doe niet te veel moeite”, zei ik nog, maar hij had de eerste doos al open. Enkele tientallen boeken staarden me verschrikt aan.

„Wilt u de andere doos ook nog zien?”

„Ik laat het bij Krol.”

„Het is een slechte business, die fictie”, zei hij, „al jaren. Alleen literaire thrillers gaat nog wel. Ik moet het hebben van de non-fictie.”

Ik rekende af en verliet de winkel. „De dooie schrijver waar ik het meest aan heb verdiend.” Je hebt uitspraken die je niet hoeft te noteren, je onthoudt ze toch wel. Toevallig had ik er ’s morgens nog een gehoord in de bus naar Alkmaar. Een buitengewoon spraakzame oude vrouw die voorin zat, was in druk gesprek met de geduldige chauffeur geraakt en had plotseling uitgeroepen: „Ik heb borstkanker, maar mijn kop is nog goed.”

Ik slenterde verder door Alkmaar dat een aardige binnenstad heeft, en kwam opeens bij een beeldje met het hoofd van Rudi Carrell uit. Het heette daar Rudi Carrellplaats, een nogal weidse benaming voor dit achterafstraatje. Hij stond hier, las ik later, omdat hij vlakbij in theater Het Gulden Vlies – nu een Grand Café – als artiest gedebuteerd had.

Rudi zag er, met alle eerbied, patent uit. Het hoofd van een nog gezonde, ambitieuze vijftiger. Achter hem waren twee bordjes tegen een muur gespijkerd met toelichtende teksten in het Nederlands en Duits. Ze waren niet meer goed leesbaar, omdat de witte letters voor een deel waren afgeschilferd. Hoeveel zou er nog aan Rudi verdiend worden?