Ook de motorfiets laat zijn spieren zien

Een nieuwe generatie ontwerpers en berijders van motorfietsen schrikt niet van zichtbare bouten en moeren.

Techniek is sexy geworden, je ziet het overal.

Machine in bikini, dat was het eerste wat me te binnen schoot toen ik een paar jaar geleden de K1300R van BMW voor het eerst zag. Het is een ingewikkeld voertuig, een onrustige wirwar van hoekige schermpjes, stangetjes, deksels en buizen. Geen detail van de grillige machinerie blijft je bespaard. De voorvork ziet eruit alsof hij nog in een experimentele fase verkeert, in de bekleding van de buddyseat zitten vier scherpe plooien en alle boutjes in de matzwarte motordeksels zijn van glimmend roestvrij staal, alsof de zwarte boutjes net op waren. Dezelfde motorfiets bestond eerst alleen als een aangekleed model, met een ruitje tegen de insecten en de regen en een plastic omhulling tegen de rijwind. Maar nu kun je hem ook kopen zonder die kuip, als naked bike zoals dat in de motorwereld heet. BMW is de enige niet meer: alle motorfabrikanten brengen inmiddels naakte motorfietsen uit. Het is een trend.

Machines in bikini, zo heette het essay dat Willem Frederik Hermans in 1974 schreef (verzameld in de Volledige werken, dl. 11, 2008). Hij merkte daarin op dat vrouwen steeds bloter werden, maar dat machines meer en meer schuilgingen achter een omhulsel. ‘Stroomlijn sijpelt over onze voorwerpen als een taaie stroop.’ Hun mechanisme wordt voortdurend onbereikbaarder gemaakt en moeren en bouten zijn niet meer te zien.

Over de totstandkoming van dit essay had Hermans langdurig overlegd en gecorrespondeerd met Rudy Kousbroek, die toen in Parijs woonde (de briefwisseling is verzameld in Machines en emoties, 2009).

Hermans en Kousbroek waren beiden in machines geïnteresseerd en ergerden zich aan de teloorgang van de klassieke eenvoud zoals die nog wel in oude typemachines, fototoestellen en klassieke auto’s te vinden was. Het oorspronkelijke idee was van hun ergernissen een gezamenlijk manifest te maken, maar het kwam er niet van; blijkbaar had Kousbroek er serieuzere bedoelingen mee dan Hermans. Het zal wel bijgedragen hebben aan de langzaam verslechterende verstandhouding tussen hen dat Hermans het essay onverhoeds publiceerde, en al het materiaal dat Kousbroek had aangedragen negeerde.

De briefwisseling is nog steeds boeiend, maar eigenaardig genoeg brengt noch Hermans, noch Kousbroek ook maar één keer de motorfiets ter sprake. Terwijl juist veel motoren fraaie voorbeelden zijn van elementaire en schaars bedekte mechanica.

Kousbroek heeft wel eens op een andere plaats kort over motoren geschreven. Dat was in een bespreking van het fameuze boek van Robert Pirsig uit 1974 Zen and the Art of Motorcycle Maintenance. (‘Erlkönig op de motorfiets’, in Vrij Nederland van 8 maart 1975, opnieuw afgedrukt in Einsteins poppenhuis, 1990) De motorfiets, zegt Kousbroek daar, is ‘een goed voorbeeld van een overzichtelijke machine, waar je aan kan zien wat het is, waarin de relatie tussen functie en architectuur niet verloren is gegaan.’

Precies. Dat motorblok, die wielen, die benzinetank, dat stuur – geen misverstand mogelijk. De K1300R ziet eruit als een metaal geworden principetekening. Eindelijk gerechtigheid? Precies wat Kousbroek en Hermans bedoelden?

Niet helemaal. Om te beginnen is niet zo gemakkelijk te zien ‘wat het is’. Als je deze motor vergelijkt met een klassieke motor van een jaar of veertig geleden, valt op dat allerlei onderdelen toen wel en nu niet meer zichtbaar zijn. De carburateurs zijn vervangen door elektronische inspuiting, wat betekent dat alle zichtbare onderdelen van de brandstofvoorziening het veld hebben geruimd. De zichtbare ‘tank’ is niet veel anders dan een bol deksel. De werkelijke benzinetank is een vormeloos kunststof lichaam dat diep daaronder zit weggeborgen. Koelribben zijn verdwenen, want vloeistofkoeling heeft inmiddels de luchtkoeling verdrongen. Cilinders en de cilinderkop zitten achter een gladde mantel. Ook de klepbediening, vroeger aanwezig door een of twee buizen die langs de cilinder omhoogliepen, is weggeborgen achter de koelmantel.

Toch ziet deze motor er met zijn grillige vormen en zichtbare constructiedetails heel technisch uit. Maar het is techniek met een retorische functie. Het lijkt een machine in bikini, maar er zit een badpak onder.

Dan is er nog een kwestie. Als de BMW-ontwerpers zich werkelijk verdiept hadden in de functie van deze motor die een vermogen heeft van 173 pk en een topsnelheid van vér boven de 200 km per uur, dan was hij er nooit gekomen. Dan hadden ze het gelaten bij de versie met ruitje en omhulsel. Deze naakte versie is bij de snelheden die hij kan halen erg oncomfortabel. Je kunt ook zeggen: heel onfunctioneel. Toch is BMW niet het enige merk waar ze het plastic vanaf hebben gepeld. Inmiddels is de naakte motorfiets het toonaangevende model en het aangeklede ding een nicheproduct.

Op het eerste gezicht is dat een vreemde ontwikkeling. Is de plastic kuip achterhaald en zijn er nieuwe vormen van bescherming tegen de elementen gekomen? Nee, dat is niet het geval. Is het topvermogen van motorfietsen misschien gedaald, zodat die hoge snelheden niet meer zijn te halen? Nee, ook dat is niet waar: dat vermogen stijgt nog steeds.

Er is iets anders aan de hand. Die kuip was er nooit afgehaald als de motor nog steeds was wat hij ooit is geweest: een vervoermiddel. Dan was de bescherming tegen weer en wind noodzakelijk gebleven. Toen de motorfiets het in de jaren zestig door de toenemende concurrentie van de auto heel moeilijk had, stond voor menigeen vast dat er nog maar één mogelijkheid was: de motorfiets zou veel comfortabeler moeten worden. En niet alleen dat. De krachtbron zelf, bron van oliespatten, lawaai en stank, moest zoveel mogelijk verborgen worden. In motortijdschriften verschenen allerlei ontwerpfantasieën met geheel of gedeeltelijk overdekte en gecarosseerde motorfietsen.

Dat verlangen kreeg een praktische vervulling toen in de jaren zeventig een noviteit uit de racewereld zijn intrede deed: de stroomlijnkuip. Een gebogen vorm van polyester die zich gewillig om de vierkante vormen van het motorblok vleide. De kuip werd een stijlelement, drager van het beeldmerk en de merkkleuren van de motorfiets.

Totdat die nieuwe naaktheid zijn intrede deed. De motor was geen vervoermiddel meer, maar diende inmiddels al lang een ander doel: de expressie van een sportieve levensstijl. Dat je bij regen en wind op een naakte motor koud en nat wordt is niet zo belangrijk – en wel om een heel triviale reden: dan blijft de motorrijder thuis of pakt zijn auto.

Toch is dat niet het hele antwoord, want is zo’n kuip niet altijd handig? Het is toch een in de motorfietsevolutie verworven eigenschap die louter voordelen biedt?

Zeker. Maar de naakte motorfiets kwam tegemoet aan een behoefte die in het gestroomlijnde tijdperk wat in de verdrukking was gekomen, maar nu steeds dringender om bevrediging vroeg: de behoefte aan zichtbare aluminium gietstukken, inbusbouten en verchroomde dopmoeren. Misschien begon het met Ducati, het Italiaanse merk dat van die elegante sportmotoren maakt. Of met KTM, de Oostenrijkse fabriek van sportmotoren die in korte tijd de tweede fabrikant van Europa werd. In ieder geval doemde er opeens een andere vormentaal op. Het belangrijkste ingrediënt was een industrieel aandoende iconografie. Er werd geen moeite gedaan hoekige vormen af te ronden, of bevestigingspunten te maskeren. Integendeel: soms werden ze geaccentueerd, zoals de glimmende boutjes in de zwarte motordeksels van de K1300R, de vakwerkconstructie bij de Ducati Monster, of de grillige frameconstructie van de Suzuki Gladius, die voor alle zekerheid in een contrasterende kleur is gespoten. In tegenstelling tot de eerdere periodes waren die zichtbare details geen tekens van een goedkope, slechte afwerking. Het was het constructivisme dat je ook terugziet in de nieuwste bruggen en gebouwen, waar ook al zo’n neiging is de werktuigbouwkundige details breed uit te meten.

Waarom gebeurt dat? Misschien omdat er een nieuwe generatie ontwerpers en berijders is aangetreden. Jonge mensen, opgegroeid met internet, iPod en mobiele telefoons, die onbevangen tegenover techniek staan. Ze schrikken niet van een handvol bouten en moeren. Ze zijn niet meer zo preuts, en de blootlegging van het menselijk lichaam gaat gelijk op met de onthulling van de machinerie. De seksualisering van het wereldbeeld houdt niet op bij Madonna, Lara Croft en Brad Pitt. Ook de motor laat zijn spieren en zijn welvingen zien. Techniek is sexy geworden, je ziet het overal.

Is het contact met de techniek daarmee ook hersteld? Is de ontbloting van de motorfiets een teken van een nieuwe belangstelling voor de werking en de principes ervan?

Ik vrees dat het anders ligt. Het technisch exhibitionisme biedt de trotse berijders een effectieve strategie de aandacht op zich te vestigen. Zij heersen over die ingewikkelde machinerie, zij zetten al die buizen, hendels, deksels en assen naar hun hand. De namen van die motorfietsen zijn aanwijzingen in de richting waarin we het moeten zoeken. De Ducati Hypermotard, de Ducati Streetfighter, de Suzuki Gladius en de MV Agusta Brutale zijn niet bedoeld voor woon-werkverkeer. Ze zijn er om getemd te worden, en om er dan mee te imponeren. De naakte motor is masculiener, maar ook onbegrijpelijker dan de motor die schuilgaat achter plastic. Wie zo’n motor aankan, die zal zelf ook wel iets voorstellen.

Van Warna Oosterbaan verschijnt deze week bij uitgeverij Augustus: ‘Motorziel. Kleine sociologie van een machine’.