Kans op één landelijk politiekorps groter dan ooit

Het pleidooi van topman Harm Brouwer van het OM voor een nationale politie sluit uitstekend aan bij de formatieonderhandelingen.

Het Openbaar Ministerie wil een drastische herziening van het Nederlandse politiebestel. Dat volgt uit het pleidooi dat Harm Brouwer dit weekeinde in deze krant deed om te komen tot één landelijk politiekorps. De voorzitter van het College van procureurs-generaal, de top van het Openbaar Ministerie (OM), vindt de huidige regionale opzet niet effectief genoeg. In plaats van 25 regiokorpsen plus het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) en twee verantwoordelijke ministers (Justitie en Binnenlandse Zaken), wil hij tien korpsen onder rechtstreeks gezag van één politieminister.

Daarmee breekt Brouwer rigoureus met de huidige praktijk, waarin 25 burgemeesters van grote steden als korpsbeheerder de regie voeren over de politie. En hij breekt met de gedeelde ministeriële verantwoordelijkheid. Het is ondenkbaar dat Brouwer zijn pleidooi niet heeft afgestemd met zijn hoogste baas, minister van Justitie Hirsch Ballin (CDA). En dat geeft weer aan hoe er op Justitie over de politieorganisatie wordt gedacht.

Een nieuw politiebestel maakt deel uit van de onderhandelingen van CDA, VVD en PVV over de kabinetsformatie. Wordt daarover een akkoord bereikt, dan kan de tweede poging in vijf jaar tijd om de politie ingrijpend te reorganiseren wél succesvol eindigen.

Het huidige politiebestel stamt uit 1993. Invoering ervan maakte een einde aan de lappendeken van 127 gemeentelijke politiekorpsen, naast de Rijkspolitie. Toch bleek de versnippering niet te einde. De 26 korpsen hadden elk hun eigen bedrijfsvoering en waren onvoldoende bereid tot samenwerking. Informatie werd niet gedeeld, opsporing hield op bij de districtsgrenzen van het korps en er was grote rivaliteit.

Tornen aan het politiebestel was evenwel geen echte optie. Het werd besproken bij opeenvolgende kabinetsformaties, maar de conclusie was telkens dat de politie zo snel niet nog eens zo’n reorganisatie zou aankunnen.

De komst van bovenregionale rechercheteams en, in 2002, de Nationale Recherche moest voor stroomlijning zorgen, maar bood evenmin afdoende antwoord. Het politiewerk werd allengs complexer, en er kwam na 11 september 2001 nog een prioriteit bij: terrorismebestrijding.

En zo veranderde er dus weinig aan het bestel zelf. De politie bleef baas in eigen regio en op de ministeries werd geklaagd over gebrek aan invloed. Zoals minister Hirsch Ballin het in 2007 formuleerde: „Beïnvloeding van de politiekorpsen moet vooral via de veelal bewerkelijke weg van overleg en overreding.”

In 2001 bleek hoe slecht de opsporing in Nederland functioneerde. Van de 1,1 miljoen misdrijven die per jaar werden aangegeven, onderzocht de politie minder dan een kwart. Zo’n tweehonderd criminele groepen konden hun gang gaan omdat opsporingscapaciteit ontbrak.

Op basis van die cijfers werd de roep om een slagvaardig landelijk politiekorps sterker. In 2005 deed het kabinet-Balkenende een concrete poging. De politie zou één landelijk korps moeten vormen, onder direct gezag van de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken.

Toen al toonde OM-topman Brouwer zich een warm voorstander: „De politieke verantwoordelijkheid van de ministers krijgt inhoud. Ik denk dat de veiligheid groter wordt, kijk maar naar het succes van de Nationale Recherche, wat in feite de voorloper is van het nieuwe politiebestel.”

Maar wetgeving voor het nieuwe politiebestel strandde door de val van Balkenende II in 2006. Bij de daarop volgende vorming van een nieuw kabinet wist de PvdA het plan definitief te torpederen. De politie kreeg de kans de onderlinge samenwerking te verbeteren.

De ministers ter Horst (Binnenlandse Zaken, PvdA) en Hirsch Ballin (Justitie, CDA) kwamen in 2008 met een wetsvoorstel dat het politiebestel op hoofdlijnen intact liet: de organisatie bleef decentraal, onder regie van de korpsbeheerders. Wel kreeg het OM iets meer invloed op het politiebeleid, omdat het korpsbeheerdersberaad werd uitgebreid met een vertegenwoordiger van justitie. De beide politieministers kregen eveneens meer invloed, omdat de voorzitter van het korpsbeheerdersberaad door de ministerraad benoemd zou worden. Maar ook dit wetsvoorstel sneuvelde, doordat het kabinet-Balkenende voortijdig ten val kwam.

Inmiddels lijken de kansen voor één landelijk politiekorps groter dan ooit. De partijen die nu onderhandelen over een nieuw kabinet, CDA, VVD en PVV, zijn immers al jaren voorstander van die landelijke politie. Het overtuiging kreeg onlangs een extra prikkel door nieuwe slechte politiecijfers: van de 1,2 miljoen aangiftes uit 2009 zijn er inmiddels 350.000 in behandeling genomen. Dat is beter dan in 2001, maar die progressie is vrijwel uitsluitend toe te schrijven aan de prestatiecontracten die in 2003 door de rijksoverheid werden opgelegd.

Intussen blijft de jacht op de georganiseerde criminaliteit, net als in 2001, dweilen met de kraan open. Slechts 20 procent van de criminele groeperingen op het gebied van drugshandel, mensensmokkel en witwassen wordt volgens Brouwer nu opgespoord. De rest blijft buiten het vizier van politie en justitie.

Invoering van een landelijke politie leidt ook tot een ingrijpende departementale reorganisatie. De vraag is wie straks die éne minister is die de politie aanstuurt, die van Justitie of van Binnenlandse Zaken? Die vraag zal het formatieoverleg moeten beantwoorden.