Ja, er ís een kans dat ze crimineelworden

De pers is wel heel erg gebrand op cijfers over misdaad onder Marokkanen.

Wordt het niet tijd te kijken naar de oorzaken? Het blijft een overzichtelijk probleem.

Het Tijdschrift voor Criminologie maakte onlangs een speciale uitgave over onderzoek naar criminaliteit en migratie. Het persbericht werd gretig opgepikt, althans die ene passage over de oververtegenwoordiging van Marokkanen in de criminaliteit. De ene na de andere journalist van kranten en tv-rubrieken hing aan de telefoon. Hoe zat dat met dat hoge percentage voor Marokkanen? Elke poging van mij om het gesprek om te buigen naar het diverse beeld dat we schetsen valt dood. Wat te denken van Nederlanders die diep in de criminaliteit zitten en, voor de status, rondhangen bij hun villa’s aan een Spaanse costa? Engelsen in Amsterdam? Geen interesse. Over Marokkanen moet het gaan. En over hoge criminaliteitscijfers.

Een ander probleem is dat de journalisten die mij bellen heel makkelijk dingen voor waar aan lijken te nemen. ‘Criminaliteit van allochtonen mocht tot voor kort in Nederland niet worden onderzocht’, is zo’n stelling die erin gaat als zoete koek.

Dat de criminaliteit gepleegd door Marokkaans-Nederlandse jongeren een hardnekkig probleem is weet ik als criminoloog maar al te goed. Maar dat het elke keer weer als iets nieuws wordt gebracht, en dat elk ander thema rondom criminaliteit en migratie kennelijk geen nieuws kan zijn, blijft me toch verbazen.

De relatie tussen criminaliteit, migratie en etniciteit wordt in Nederland al jarenlang onderzocht. Studies wijzen stelselmatig op een oververtegenwoordiging van groepen allochtonen in alle fasen van het strafrechtelijk systeem. Al in de jaren zeventig en tachtig werd deze oververtegenwoordiging geconstateerd, destijds vooral met betrekking tot Surinamers en Molukkers. Groepen waar we nu weinig meer over horen. Kwantitatieve gegevens zijn steeds beter en worden aangevuld met langlopend onderzoek onder de groepen in kwestie. Gezaghebbende buitenlandse criminologen roemen de grote hoeveelheid onderzoek in Nederland op dit punt. In Nederland was in de jaren zeventig en tachtig de toon in het onderzoek voorzichtig. Het wijzen op een oververtegenwoording van bepaalde groepen was taboe. Maar al hebben sommigen dat nog steeds niet door, die tijd is echt voorbij.

Natuurlijk zijn er hardnekkige problemen, maar alle oververtegenwoordiging ten spijt gaat het landelijk gezien om een probleem van overzichtelijke schaal – een derde nuance. Uit recente landelijke gegevens van het CBS en justitie blijkt dat waar 1,6 procent van de autochtone mannen bij de politie geregistreerd is als verdachte, dit geldt dat voor 4,9 procent van de niet-westerse allochtone mannen. In welke groep we ook kijken, een minderheid komt met de politie in aanraking. Het beeld is echter divers. Ook Afrikaanse groepen scoren bijvoorbeeld hoog, terwijl daar maatschappelijk meestal niet veel over te doen is. En Aziaten scoren bijzonder laag. Ooit iets over op het Journaal gezien? Ook blijkt dat criminele betrokkenheid zeer sterk is gebonden aan leeftijd. Heel veel jongens met een Marokkaanse achtergrond settelen zich uiteindelijk en verlaten dan het criminele pad.

Ja, politiecijfers van verschillende migrantengroepen zijn hoog, maar de verdeling zal in werkelijkheid eerder minder scheef dan schever zijn. De politie zal namelijk eerder meer dan minder op allochtonen letten. Er is dus sprake van een vicieuze cirkel: hoe meer de politie zich richt op probleemgroepen, des te groter de kans dat die ook weer prominent in de cijfers terugkomen. Bij de betreffende groepen wordt vervolgens de straatcultuur en het zich afzetten tegen de autoriteiten een belangrijk onderdeel van de groepsidentiteit, hetgeen de contacten van jongeren met de politie nog verder opdrijft.

Vorig jaar lieten we ruim 50 studenten onderzoek doen in de slechtst bekend staande buurten van Nederland. Welke klacht hoorden ze vaak? De hijgende pers, op zoek naar rellen. De verpletterende beeldvorming over de buurten, waar mensen gewoon hun leven leiden. Waar het echt niet zo is dat je alleen nog met een kogelvrij vest over straat kan. Maar waar bezoek soms niet meer durft te komen, omdat in de krant stond dat het een no-go-area was. Zo langzaamaan mag wel eens gekeken worden naar het effect van deze beeldvorming.

Zelfs mensen die wél in de mindere buurten wonen schrijven de problemen vaak niet vooral toe aan Marokkanen. Zij wijzen er bovendien op dat er de laatste jaren veel bereikt is in de aanpak van criminaliteit en collectieve overlast. Het brede beleid en de stadsvernieuwing begint vruchten af te werpen. Waarom haalt dat nooit het nieuws?

Voor alle duidelijkheid: er is wat mij betreft niets op tegen om onderzoek op dit terrein te doen en daarover te berichten. Maar er is wel wat op tegen om te blijven hangen in een bijna ritueel opvoeren van criminaliteitscijfers van een bepaalde groep en verder het onderzoek – inclusief de nuanceringen en hele andere problemen – te negeren. De problemen van Surinamers en Molukkers hebben zich grotendeels geleidelijk opgelost. Als we zo doorgaan maken we van het ‘Marokkanenprobleem’ een zelfversterkende spiraal.

Joanne van der Leun is hoogleraar criminologie aan de Universiteit Leiden.