Iets steunen door het te verduren

Tijdens de vakantie heb ik het nieuws niet goed gevolgd, maar ik heb zo’n idee dat het Mark Rutte niet gaat lukken om voor 1 juli jongstleden een nieuw kabinet samen te stellen. Ik geloof dat men daar in VVD-kringen niet mee zit. Zo’n belofte heeft een functie tijdens de debatten: hoe stelliger je dit zegt, hoe meer stemmen je ermee kunt trekken. Dat dit naderhand loze stelligheid blijkt te zijn, hoort bij het spelletje. Natuurlijk kun je zoiets niet echt beloven, niemand kan voorzien hoe de onderhandelingen werkelijk verlopen, maar het klinkt aardig. .

Of ook alle kiezers dit zo luchtig opvatten, betwijfel ik overigens. Met grote stelligheid iets roepen wat je vervolgens helemaal niet kunt waarmaken, zou in tweede instantie wel eens afbreuk kunnen doen aan je imago, vermoed ik.

Ondertussen is gedoogsteun het toverwoord van de onderhandelingen geworden. Is het politiek verantwoord en aan de achterban te verkopen om een kabinet te vormen met gedoogsteun van de PVV? Betekent gedoogsteun niet dat de PVV op twee fronten de touwtjes in handen krijgt: zowel in het kabinet als in de oppositie? Kortom, het is gedoogsteun voor en na.

Ik heb de laatste tijd geregeld horen beweren dat gedoogsteun een nieuw woord is. En dat het een nonsenswoord is, want óf je steunt óf je gedoogt iets, maar je kunt niet iets steunen door het alleen te verduren. Doorgaans beschouwen wij steun als iets actiefs (al was het maar „Ik zal aan je denken!”), niet als iets passiefs.

Ik kan die redenering wel volgen. Als je de betekenissen van die twee woorden onder een vergrootglas legt zou je inderdaad kunnen beweren dat ze in combinatie enige wrijving veroorzaken, maar wat schiet je daarmee op? In de praktijk blijkt gedoogsteun namelijk al decennialang te worden toegepast. Het is dan ook zeker geen nieuw woord. Wel komt het velen nu nieuw voor – omdat het opeens zo in de schijnwerpers staat.

Sinds wanneer kennen wij het woord gedoogsteun? De Grote Van Dale vermeldt het sinds 1984. In de editie van 1976 volgde op gedonderjaag nog het woord gedool, maar in 1984 werd hier een artikel tussen geplakt: gedoogplicht, met als weinig verhelderende definitie ‘gedogingsplicht’, en gedoogsteun met als betekenis ‘toezegging dat men zich niet tegen een regering zal verzetten, zonder overigens medewerking te verlenen’ – een definitie die sindsdien ongewijzigd is gebleven.

In de vakliteratuur over nieuwe woorden vinden we gedoogsteun voor het eerst in 1979, in een boek van de Vlaamse neologismenjager Maarten van Nierop. Hij brengt het in verband met de Nederlandse kabinetsformatie van 1977 – met 208 dagen de langste kabinetsformatie in onze geschiedenis. „Een zevental kristen-demokraten”, aldus Van Nierop, „voelden niets voor samenwerking met de liberalen, maar desondanks zouden ze een dergelijk kabinet niet onmiddellijk naar huis sturen, ze zouden er zich loyaal tegenover opstellen. Dat was ook weer een vorm van gedogen – en in dat verband las men in die dagen ook dat de zeven aan een CDA-VVD-kabinet gedoogsteun zouden verlenen, en men sprak van de zeven gedogers.” Kortom, taalkundig gezien is er bij de huidige onderhandelingen weinig nieuws onder de zon. En het snelheidsrecord had Rutte toch al niet makkelijk kunnen breken. Dat staat op naam van Balkenende, die in 2006, met hulp van Ruud Lubbers, in een week een nieuw kabinet samenstelde.

Reacties graag naar post@ewoudsanders.nl