Help Pakistan, maar niet de regering

Door de ramp ontstaat een wedloop in noodhulp tussen de Talibaan en de VS. Amerika kiest hierbij de verkeerde weg door de regering te steunen, meent Jan Breman.

Het vaststellen van de omvang van de ramp die Pakistan heeft getroffen, is nog in volle gang. Het onheil begon ruim drie weken geleden in het noorden van het land, maar van dag tot dag hebben we de verplaatsing van de watervloed naar het zuiden kunnen volgen. Op het ogenblik dat ik dit schrijf maken inwoners van de miljoenenstad Hyderabad in de provincie Sindh zich op hun huis te verlaten uit angst dat een nabijgelegen stuwdam het begeeft. Het hele stroomgebied van de Indus staat onder water, het hart van de natie.

Op het eerste gezicht leek het een natuurramp. De moesson wordt altijd gekenmerkt door zware regens. Maar de hoeveelheden die dit jaar vielen, waren buitensporig. Dat zou het gevolg zijn van een klimaatsverandering. Maar die uitleg schiet tekort, evenals de constatering dat door ontbossing het water in korte tijd naar de dalen raast. Want de overstroming die nu het centrale laagland teistert, waar het grootste deel van de bevolking woont, komt vooral door ondeugdelijk waterbeheer.

Weggedrukt uit veiliger woonplaatsen die al overbezet zijn, hebben mensen zich gevestigd in laaggelegen gebieden. Dit had niet gemogen, maar is wel gebeurd. Wezenlijker nog is het gemis aan onderhoud van dijken, dammen, stuwmeren en overloopbekkens.

Het geweld waarmee de privatisering in Pakistan heeft huisgehouden, heeft als gevolg gehad dat van publieke instellingen geen sprake meer is. Ambtelijke diensten worden sinds jaar en dag gewoon voor eigen gewin te gelde gemaakt. Het waterbeheer in Pakistan is uitgeleverd aan wat de vrije markt ervoor biedt. Zo kon het doorsteken van een dijk afgekocht worden, ook dijken van overloopbekkens die daarvoor bedoeld waren.

Het overgrote deel van het land is in handen van een kleine minderheid van grondeigenaars. Sommigen daarvan leven in puissante rijkdom. Zo’n viervijfde van de plattelandbewoners heeft geen enkel bezit, zij zijn als kleine pachters of landarbeiders dienstbaar aan de landheren. Het voortbestaan van deze armen wordt door de uitwerking van de ramp niet voor even, maar voorgoed bedreigd. In normale tijden kunnen deze onbedeelden al geen aanspraak maken op bescherming van de overheid. Kan het daarom verwondering wekken dat officiële instanties in deze crisis verstek laten gaan?

We horen over vier miljoen daklozen en een dubbel aantal daarvan dat hulp dringend nodig heeft: veilig voedsel en drinkwater, onderdak en gezondheidszorg. Die aantallen zijn een groteske onderschatting van de chronische ellende waarin meer dan de helft van de bevolking, met een omvang van ruim 180 miljoen, verkeert. De beelden van de overstroming gaan steevast vergezeld van de mededeling dat de slachtoffers al hun bezittingen zijn kwijtgeraakt. Maar velen van hen hadden al niets voor het water hen wegspoelde. De ellende die we nu zien was er al en is niet de uitwerking van de ramp. Beschamend was het bezoek van premier Gilani aan een noodkamp dat nooit heeft bestaan. Het bivak is een paar uur voor zijn komst ingericht en na de fotosessie weer opgebroken.

Pakistan heeft een staatsapparaat dat zienderogen faalt. De macht berust bij een kleine bevoorrechte klasse die zichzelf bedient. Dit gevestigde belang heeft zich de afgelopen decennia hardnekkig verzet tegen voorziening in de basisbehoeften van de bevolking. Toegeven aan het verlangen naar een menswaardig bestaan zou immers landhervorming, werkverschaffing, volkswoningbouw, publieke gezondheidszorg en onderwijs hebben vereist.

Onder de militaire dictatuur, maar ook erna, bleef de politieke wil afwezig om de samenleving in een democratische richting te sturen. President Zardari heeft elke geloofwaardigheid verloren. Zijn voorlopig aanblijven is niet ingegeven door hoop op verbetering, maar komt voort uit het ontbreken van een beter alternatief. Waarom zou de gewone man nog langer gehoorzaamheid en trouw verschuldigd zijn aan een staat die niets voor hem doet?

De politiek waarmee Pakistan is behept, heeft de doorbraak naar een civiel-seculiere maatschappij geblokkeerd. Met steun uit het staatsapparaat hebben vrijwilligersorganisaties die op religieuze leest zijn geschoeid, zich het sterkst kunnen ontplooien. De islam als volksgodsdienst die lang dominant is geweest, heeft in de afgelopen decennia terrein moeten prijsgeven aan uit het buitenland afkomstige stromingen van fundamentalistische snit, zoals de Talibaan. Die bewegingen hebben een dubbele agenda: het gewelddadig bestrijden van de vijand – dat zijn allen die de ultraorthodoxe geloofsopvatting niet delen, of dat nu in eigen huis, India of Afghanistan is – en daarnaast het doen van goede werken zoals het bieden van onderwijs met schoolmaaltijden aan kinderen en gratis gezondheidszorg voor behoeftigen. De eerste hulp bij de huidige ramp wordt vaak geboden door deze fundamentalistische bewegingen.

De autoriteiten hebben hierop ingespeeld door het buitenland om hulp te vragen om te voorkomen dat de bevolking de Talibaan als de barmhartige redders gaat zien. President Zardari sprak van ‘negatieve krachten’ die zich over ouderloos geworden baby’s ontfermen, hen in kampen onderbrengen om ze tot de terroristen van morgen te trainen.

Die boodschap is aangekomen. De Amerikanen hebben de noodhulp die zij eerder toezegden, aanmerkelijk verhoogd. Dit is gebeurd op voorspraak van senator Kerry, die zich bij zijn bezoek vorige week aan de getroffen gebieden beducht toonde voor de werving van jihadisten ten gevolge van de crisis.

De angst dat de ramp in politieke instabiliteit omslaat, is begrijpelijk, maar het motief voor humanitaire bijstand zou toch niet bezorgdheid mogen zijn voor de terreinwinst die de tegenstander boekt. Zo’n toonzetting geeft voedsel aan een publieke opinie die vermoedt dat de gulle gever erop uit is de anti-Amerikaanse stemming onder de bevolking in pro-Amerikaanse richting om te buigen. Of dit zal lukken, lijkt twijfelachtig gezien de woedende reacties op bijvoorbeeld het bericht dat het vliegveld van Jacobabad in het zuiden van het land niet gebruikt kan worden om mensen te redden of voedsel af te werpen. Deze luchtmachtbasis is namelijk in Amerikaanse handen en wordt gebruikt om operaties boven Afghanistan uit te voeren en om onbemande vliegtuigen te lanceren voor aanvallen op Talibaan-haarden in het grensgebied. Die vluchten gaan gewoon door. Heel wat Pakistanen zien hierin het bewijs geen baas meer in eigen land te zijn. In hun gedachtegang heeft het staatsapparaat – overheid en leger – zich verhuurd aan Amerika om een oorlog te voeren die niet in het landsbelang is.

Wat tot dusverre tot Amerikaanse inmenging beperkt is gebleven, staat op het punt tot een grotere coalitie uit te groeien. De NAVO houdt zich gereed om mankracht en materieel in het rampgebied in te zetten. Naar verluidt zal de Europese Unie toegeven aan de druk tot grootschalige hulpverlening; 140 miljoen euro zouden al zijn toegezegd. Dit alles om de dreigende opmars van de Talibaan te bezweren? Wat nu wordt gedaan, maakt een overhaaste en weinig doordachte indruk. Het is een voortgaan op een geopolitiek traject in de regio dat contraproductief is gebleken.

Om de bevolking van Pakistan voor de goede zaak te winnen is een verdrag gesloten waarbij Amerika zich verplicht Pakistan in de komende vijf jaar 7,5 miljard dollar te betalen, jaarlijks 1,5 miljard. De tegenprestatie is niet tot in detail uitgespeld, althans niet openlijk, maar komt neer op het gezamenlijk bestrijden van de vijand alsmede het gedogen van de Amerikaanse aanwezigheid op het grondgebied van Pakistan.

Maar – om het zacht uit te drukken – er is geen aanwijzing dat dit voornemen de instemming heeft van de bevolking van Pakistan. Het niet geringe toegezegde bedrag aan ontwikkelingshulp moet, zo heeft Hillary Clinton laten weten, primair gebruikt worden ter stimulering van volkswelvaart en gemeenschapsopbouw. Nu al staat vast dat dit loze beloften zijn, want leger en politiek hebben andere prioriteiten. Gilani heeft ronduit toegegeven dat het staatsapparaat van hoog tot laag voos is. Maar zijn voorstel om de verdeling van de buitenlandse giften die gaan binnenstromen, toe te vertrouwen aan een onafhankelijke raad, met leden die als onkreukbaar gelden, heeft al direct tot grote ruzie geleid. De strijd om de volksgunst van Pakistan lijkt al op voorhand weinig kans van slagen te hebben.

De vrees dat de noodhulp niet de mensen bereikt voor wie het bestemd is, mag geen reden zijn om er maar vanaf te zien. Distributie langs overheidsinstanties is niet raadzaam. Civiele organisaties zoals het Rode Kruis en de Rode Halve Maan liggen meer voor de hand. Ook medefinancieringsorganisaties die ter plaatse aanwezig zijn, hebben hun eigen netwerk.

Wat daarbij niet uit het oog mag worden verloren, is dat er al grote aantallen vrijwilligers kleinschalig en op eigen initiatief bezig zijn om zonder bijkomende bedoelingen van hun medemenselijkheid te getuigen. Zij doen dit met weinig middelen en onder uiterst moeilijke omstandigheden. Royale hulp van buitenaf stelt hen in staat daarmee door te gaan.

Het uitspreken van wantrouwen jegens de politieke leiders van Pakistan dient samen te gaan met het tonen van betrokkenheid bij de bevolking.

Jan Breman is emeritus hoogleraar is sociologie aan het Centrum voor Azië Studies aan de Amsterdam School of Social Science Research van de Universiteit van Amsterdam.