Brussen mag hopen op jonge magistraten

Het recht op vrijheid van meningsuiting is goed beschermd.

Maar Bert Brussen had veel duidelijker moeten zijn in zijn tweet.

Hoe diep de vrijheid van meningsuiting is geworteld in het democratisch rechtsstatelijk denken, bewees burgemeester Bloomberg van New York vorige week. Gevraagd of Geert Wilders als spreker welkom is op de protestbijeenkomst op 11 september gericht tegen de Ground Zero Moskee, antwoordde hij: het is een goede gelegenheid om te laten zien dat wij al eeuwen ons uiterste best doen om aan iedereen de vrijheid van meningsuiting te garanderen, hoe verwerpelijk iemands ideeën ook zijn.

Ook bij ons is die vrijheid een groot goed. Dat geldt voor de inhoud van de uitlatingen en voor de wijze waarop zij worden geuit. Of dit nu in de krant gebeurt, op de radio, op tv, of via moderne media als blog, mail of tweet.

Waarom vinden we dit zo belangrijk? We hechten in een democratische samenleving sterk aan het maatschappelijk debat. We zijn er ten diepste van overtuigd dat een uitwisseling van gedachten, ideeën en overtuigingen het best mogelijke resultaat tot stand brengt.

Kent die vrijheid dan geen juridische grenzen? Zeker wel, we kennen géén absoluut recht op vrije meningsuiting. Maar we zijn niet kinderachtig. Informatie of ideeën die ‘offend, shock or disturb’ worden ook door het Europees Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens beschermd. Een poster met de tekst ‘Reisbureau Rita, arrestatie – deportatie – crematie, adequaat tot het bittere einde’, achtte de Hoge Raad in 2009 niet strafbaar. ‘Rita’ is mevrouw Verdonk, destijds minister van Vreemdelingenzaken en Integratie en medeverantwoordelijk gehouden voor de gevolgen van de brand in Detentiecentrum Schiphol-Oost (2005), waarbij elf mensen omkwamen.

Uitingen zijn alleen strafbaar als de beperking van het recht op vrije meningsuiting daadwerkelijk in de wet staat, én als de bescherming van ‘legitieme belangen’ in het geding is. Dat kunnen bijvoorbeeld de rechten van anderen zijn. Bovendien moet er voor de beperking van dat recht op vrije meningsuiting een dringende maatschappelijke noodzaak bestaan. Die wordt ten aanzien van politici niet snel aangenomen, zeker niet als de ondertoon van de boodschap ook nog eens sarcastisch is. Het Rita-arrest bewijst dat nog eens.

Dus zelfs als iemand voldoet aan alle kenmerken van een delict in ons Wetboek van Strafrecht, dan toch kan een verdachte vrijuit gaan. Dat zal wel niet gebeuren in een strafzaak tegen een twitteraar, die nu loopt. Door bij herhaling ‘Kill all Jews. #siegheil’ en ‘Als de Fuhrer zijn werk had afgemaakt was dit niet gebeurd. #siegheil’ te twitteren, maakt hij zich schuldig aan het misdrijf belediging van een groep mensen en het aanzetten tot haat, discriminatie of geweld tegen een groep mensen.

De politie lijkt bijzonder gespitst op strafwaardige tweets. Dat is niet onbegrijpelijk, want anticiperen op verstoring van de openbare orde wordt voor de politie door Twitter moeilijker. Twitter maakt het mogelijk om spontaan een grote groep mensen bijeen te brengen op een op het laatste moment gekozen locatie, al dan niet met slechte bedoelingen.

Een twitteraar die opriep om te gaan rellen na een wedstrijd van het Nederland elftal – ‘Morge relle op jonckbloetplein #!!!’ – werd gezien eerdere gebeurtenissen in het Haagse Laakkwartier hard aangepakt. De WK-finale bracht hij in voorlopige hechtenis door en in een supersnelrecht-procedure legde de rechter hem een werkstraf van 100 uur op wegens in het openbaar opruien.

Bloggers kunnen evenzeer strafbare delicten plegen. Of de journalist Brussen zich hieraan schuldig maakt, is op dit moment onderwerp van studie binnen het OM. Hij plaatste eerder dit jaar een screenshot van een twitterbericht van iemand anders op zijn eigen site: ‘Rijke beloning voor wie Wilders zijn keel doorsnijdt. Liefst van rechts naar links, maar van links naar rechts is ook ok!’

Is hier de zogenaamde Jersild-rechtspraak van het Europese Hof in Straatsburg (1995) van toepassing? Kort gezegd komt die erop neer dat de boodschapper – de journalist – niet gestraft mag worden, alleen de oorspronkelijke schrijver. De functie van de pers als publieke waakhond komt anders in gevaar.

Maar kan Brussens blog wel op één lijn worden gesteld met de geprivilegieerde positie van de massamedia? Zo ja, dan kunnen alleen bijzonder sterke argumenten volgens het Hof leiden tot strafrechtelijke vervolging. Tegen Brussen pleit dat Wilders daadwerkelijk met de dood wordt bedreigd; permanente bewaking is al jarenlang zijn trieste lot. Moet een journalist in zo’n klimaat een dergelijke boodschap herhalen?

Beperkt Brussen zich eigenlijk wel tot het zakelijk herhalen van het bericht? Nee, hij plaatste zelf een titel: ‘Wilders met de dood bedreigen doe je zo.’ Opvallend is dat jongere mensen onmiddellijk concluderen dat Brussen dit ironisch heeft bedoeld. Zij lezen hierin op geen enkele manier een hernieuwde oproep tot geweld; Brussen wil hiermee juist een praktijk aan de kaak stellen. In zijn digitale context betekent de titel: ‘Moet je nu toch eens zien, wat ik ben tegengekomen. Bedreigen doe je kennelijk zo tegenwoordig’.

De in het analoge tijdperk opgegroeide generatie denkt hier ongetwijfeld anders over. Brussen had ten minste uitdrukkelijk moeten vermelden dat het om een citaat gaat. Hij mag hopen op jonge magistraten.

Jan G. Brouwer is hoogleraar Algemene rechtswetenschap aan de Universiteit van Groningen