Bravo tot tranen toe geroerd

Niet energie en opwinding maakten deze editie van Lowlands de dienst uit, maar schoonheid en ontroering.

Gemoedelijk met een biertje op het gras in de zon.

Nederland, Biddinghuizen, 21-08-2010. Concert van Zuid-Afrikaanse rapper Jack Parow op Lowlands 2010. Foto: Andreas Terlaak

Het was een lome Lowlands, sloffend op slippers. En dat gold niet alleen het weer en de sfeer maar eigenlijk ook de programmering van de afgelopen editie, die eerder werd gekenmerkt door nostalgie dan door nieuwigheden.

Er waren aardige, op papier interessante acts als Broken Bells, Jack Parow en Q4, die de verwachting live niet waarmaakten. Instrumentale hiphoppers Q4 waren in de Bravo-tent zaterdag rommelig en traag, doordat gastoptredens (van onder anderen soulzanger Terryman) de vaart uit het optreden haalden. De Zuid-Afrikaanse rapbelofte Parow bleef hangen in de gimmick van de clichérapper, met een grote pet en bovenmaatse rode sneakers. En Broken Bells, de op de plaat volmaakte samenwerking van producers Danger Mouse en The Shins-zanger James Mercer, was vrijdag in een slechts halfgevulde Alpha-tent keurig, kil en cerebraal.

De grote namen dit jaar – The Kooks, Placebo, Massive Attack, Blink-182, Snow Patrol – deden wat er van hen werd verwacht, maar brachten hoogstens plichtmatige opwinding teweeg. Hoewel het bij Snow Patrol op zaterdag best even een feestje werd, en The Specials op vrijdag de nostalgici ontroerden, zijn het toch vooral sensaties uit het verleden. Echte blikseminslagen, zoals vorig jaar Them Crooked Vultures en The Good, the Bad and the Queen het jaar ervoor, bleven uit.

Nu is het de gemiddelde Lowlandsbezoeker al lang niet meer puur om de muziek te doen – een feit dat dit jaar eens temeer duidelijk werd toen het festival al uitverkocht was voordat er een belangrijke naam bekend was. De aanblik van het festivalterrein op de zonnige zaterdagmiddag onderstreepte dat: hoogstens een plukje mensen bij een concert hier en daar, en het overgrote merendeel – vaak kleurrijk uitgedost met gekke hoedjes, zwembandjes om de bovenarmen, een knuffelbeest of een bloempot op het hoofd – gemoedelijk met een biertje op het gras in de zon. Slechts weinig acts wisten overdag hun tent te vullen, laat staan het publiek wild te maken.

Dat lag zeker niet aan de inzet van de artiesten; en er was nog altijd genoeg te genieten. Op vrijdag was de ernstige new wave van I Blame Coco een verrassing. De piepjonge dochter van Sting zong met donkere, vorsende blik toegewijd haar toch al schorre stem kapot. Ze lijkt op haar vader, wat betreft gelaatstrekken en schuurpapieren stemgeluid, maar brengt opzwepende gitaarpop met hier en daar een schreeuwende uitschieter, waarvoor ze haar stembanden vervaarlijk oprekte. Maar ondanks de onvolkomenheden was ze innemend: stoer en kwetsbaar tegelijk, met haar hoog dichtgeknoopte witte blouse, ultrakorte witte broekje en haar breekbare dunne beentjes in bruine herenschoenen.

Opvallend is dat op deze editie niet energie en opwinding de dienst uitmaakten, maar schoonheid en ontroering. Dat pure, harmonieuze heerste op het festivalterrein, getuige het massa-enthousiasme voor het Londense folkpopkwartet Mumford & Sons – het hoogtepunt van de zaterdag. Niet eerder barstte de Alpha-tent zo uit zijn voegen als toen zanger Marcus Mumford zijn afwisselend gevoelige en dansbare folknummers bracht. Het publiek klapte, stampte, danste en zong mee, terwijl Mumford soms klaaglijk, dan weer berustend zijn levenspijn deelde. Merkwaardig dat juist deze band zozeer als festivalfavoriet werd onthaald. Maar mooi was het zeker.

Dezelfde ontroering golfde even later door de India-tent, dankzij de fraaie samenzang van Local Natives. De meerstemmige zang van dit kwartet uit Los Angeles steeg soms tot hemelse hoogten, maar door de strakke drums, het sprankelende gitaarspel en de opzwepende Afrikaanse percussie neigen ze nergens naar te tuttige close harmony.

Hartverscheurend en tegelijk uitgesproken feestelijk was het concert zondag van Staff Benda Bilili, een collectief van gehandicapte straatmuzikanten uit Congo. De manier waarop de vier bandleden in een rolstoel bij aanvang het podium werden opgereden garandeerde meteen al een brok in de keel. En de ontzagwekkende levensvreugde waarmee ze even later hun funky Afrikaanse feestmuziek speelden en zongen, zorgde helemaal voor kippenvel. De muzikanten in een rolstoel bewegen onophoudelijk; ze schudden en dansen met hun bovenlijf, en een collega bleek, met zijn oksels steunend op zijn krukken, onvoorstelbaar te kunnen swingen met zijn deels verlamde onderlichaam. Hun harmonische samenzang ontroerde in de bomvolle Bravo tot tranen toe.

Bij de Nederlandse formatie Go Back to the Zoo was het even daarvoor voor het eerst echt los gegaan bij een rockbandje, dankzij de onvermoeibaar enthousiaste aanmoediging van zanger Cas Hieltjes. Hij en gitarist en broer Teun hielden een opwindend gitaarduel, en bij de hit Electric zong het publiek in de uitpuilende India-tent uit één mond mee; eerst fluisterend, later aanzwellend tot orkaansterkte.

Opwinding ontstond er uiteindelijk nog even kort bij het opruiende optreden van de Zuid-Afrikaanse electrohiphoppers Die Antwoord. Hun hit ‘Enter the Ninja’ zette kortstondig de Bravo op zijn kop. Rapper Ninja spuugde zijn teksten vol overgave, en sprong zonder shirt over het podium, en de cartoonraps van Yo-Landi Visser, die klinken alsof ze lachgas heeft geïnhaleerd, fascineren en ontregelen.

Dit incidentele hoogtepunt kon niet verhullen dat er dit jaar weinig opwinding was rondom de muziek, mede ingegeven door de weinig dwingende line-up. Daardoor werd deze editie, meer dan een spannend festival voor nieuwe muziek, eerder een gezellig mainstream evenement; een driedaagse kermis, een Koninginnedag.

Is dat erg? Het grootste deel van de 55.000 bezoekers leek te vinden van niet. Dat genoot van een zonnig, gemoedelijk en bij vlagen feestelijk festival. Geen opwinding, geen uitschieters – geen probleem. En zo was het.