Uit Irak vertrokken

De overtuiging dat de oorlog in Irak in 2003 niet had moeten worden ontketend, is ruim zeven jaar na dato langzamerhand wel gemeengoed. Zonder het te benadrukken onderschrijft ook president Obama van de Verenigde Staten dit standpunt. Woensdagnacht verlieten daarom de laatste actieve Amerikaanse gevechtseenheden het land.

De 50.000 manschappen die nog achterblijven, zullen zich alleen bezighouden met de training van Iraakse militairen en politieagenten en het beschermen van de Amerikaanse belangen. Dat er desondanks zoveel troepen in Irak nodig blijven, bewijst alleen al dat het eenvoudiger is een oorlog te beginnen dan er een te beëindigen.

Dat de oorlog in Irak indertijd op onjuiste gronden is begonnen, maakt de afwikkeling nog ingewikkelder. Want wat waren de doelstellingen van Iraqi Freedom in 2003?

Ten eerste het ontmantelen van de geheime Iraakse massavernietigingswapens. Die bleken er niet te zijn.

Ten tweede regime change. Dat is wel gelukt. Saddam Hussein is verdreven. Met name de Koerden, die door de dictator met gifgas werden bestreden, zijn nu vrijer dan ooit. En de shi’itische meerderheid hoeft niet meer onder het juk van de sunnitische minderheid te leven. Maar van sociale vrede is geen sprake. Elke keer als de status quo dreigt te veranderen, laait het geweld weer op.

Ten derde het indammen van Al-Qaeda. Het omgekeerde gebeurde aanvankelijk. Pas na de surge, die gepaard ging met een opening naar de sunnieten mits ze eieren voor hun geld kozen, werd Al-Qaeda teruggedrongen. Zij het dat het strijdtoneel zich nu heeft verplaatst naar Centraal-Azië, Pakistan, Jemen, Somalië en verder in Afrika.

Ten vierde de democratisering van het Midden-Oosten, waardoor en passant ook het Israëlisch/Palestijnse conflict zou worden opgelost. Dit domino-effect pakte averechts uit.

Hoewel er aan de vooravond van de invasie van 2003 in brede kring en soms luid was gewaarschuwd voor de oorlog, moeten de deelnemende en sympathiserende landen, waaronder Nederland, nu niet alleen terugblikken op de noodlottige oorlog, maar ook vooruitkijken. Wie zich verschuilt achter zinswendingen als ‘met de kennis van nu’ kan in herhaling vervallen en zo nog meer schade berokkenen.

Dat betekent niet dat de kennis van toen én de kennis van nu het gemakkelijker maken. Dat democratie geen exportproduct blijkt dat zich gewapenderhand laat verspreiden, wil niet zeggen dat het Westen van de weeromstuit maar moet overstappen op een non-interventiebeleid à la China. Harde macht en soft power horen bij elkaar. Realpolitik valt plat als zij van elk idealisme is gespeend.

Wil de internationale gemeenschap zich effectief kunnen blijven inmengen in de zogeheten interne aangelegenheden van soevereine staten, dan moet ze dat alleen doen in uiterste noodzaak: als er flagrante genocide of volkerenmoord dreigt dan wel de eigen veiligheid aantoonbaar wordt bedreigd. Maar zelfs dan moet worden gestreefd naar consensus in supranationale gremia, wat in 2003 niet is gebeurd.

Een eveneens essentiële les is dat de naoorlogse fase nog belangrijker is dan een oorlog zelf. De schade die in Irak is aangericht nadat Bush de missie ‘voltooid’ had verklaard, had voorkomen kunnen worden. Vandaar dat het Westen Irak niet de rug mag toekeren, nu het land formeel zijn eigen boontjes dopt. Niet alleen het gooien van bommen, ook het maken van fouten schept verplichtingen.