Sancties domper op nucleair feest

Iran was altijd trots op zijn atoomprogramma. Maar nu de laatste stap naar het opstarten van de reactor in Bushehr wordt gezet, is er een zekere scepsis.

Vandaag zet Iran de laatste stap op weg naar het opstarten van de kernreactor in Bushehr, het eerste tastbare resultaat van een controversieel atoomprogramma dat de islamitische republiek internationaal heeft geïsoleerd. Maar in de islamitische republiek is niet iedereen even blij.

Een paar jaar geleden werd dit soort ‘nucleaire successen’ nog breed uitgemeten door de regering. Veel Iraniërs waren er trots op dat Iran als enige land in het Midden-Oosten een nucleair energieprogramma had en zijn krachtige verdediging ervan tegenover de wantrouwige buitenwereld maakte president Mahmoud Ahmadinejad populair.

Toen het Iran in 2007 tijdens laboratoriumtesten was gelukt om uranium te verrijken – nodig voor een civiel programma maar in principe ook voor een wapen – vierde Ahmadinejad de mijlpaal tussen zingende dansers in Iraanse volkskledij op een podium in de pelgrimsstad Mashad. Boven hun hoofden hielden de dansers nagemaakte brandstofstaven, in a capella gezongen liederen prezen ze hun Grootse Natie.

„Nucleaire energie is ons onbetwistbaar recht!” herhaalde Ahmadinejad de nationale propagandaleus tijdens een rechtstreekse uitzending van het evenement door de staatstelevisie. Op de bank voor de tv waren wellicht veel mensen het niet eens met de binnenlandse politiek van de president, maar net als hij vonden ze dat Iran recht had op een eigen nucleair programma. Het atoomprogramma werd symbool van de door het buitenland belaagde onafhankelijkheid.

Maar nu, drie jaar later, is er behalve trots ook scepsis.

„Wat merk ik van die kernenergie?” zegt Hamed Forozan, een werkloze computerdeskundige. „Straks hebben een paar duizend huizen stroom, maar tegelijk staat ons land alleen in de wereld.”

De prijs voor onafhankelijkheid is hoog geweest. Voor vrijwel iedereen in de grote steden zijn de gevolgen van het toenemende internationale isolement over het nucleaire programma zichtbaar.

De werkgelegenheid in de privésector, met name bij importbedrijven, wordt zwaar getroffen door de in kracht toenemende sancties. Getalenteerde Iraanse studenten, die traditioneel op de eerste rij van collegezalen van ’s werelds belangrijkste universiteiten zitten, staan nu vergeefs in de rij voor visa voor westerse landen. En dan zijn er de dienstplichtigen, rond een miljoen per jaar, en hun ouders die zich steeds vaker zorgen maken over een mogelijke oorlog.

„Eindelijk, na al die jaren kunnen we zelfvoorzienend zijn op het gebied van nucleaire energie”, zegt Rojin, een ingenieur die haar achternaam niet wil geven. „Maar door verkeerd beleid zit iedereen nu in de problemen. Het bedrijf waar ik werk krijgt geen project meer van de grond.”

Voor veel mensen in Teheran is het daarnaast ook lastig om over ‘onbetwistbare nucleaire rechten’ te spreken, omdat ze vinden dat de staat hun eigen rechten in de zomer van 2009 grof heeft geschonden. Tijdens maandenlange protesten tegen de omstreden herverkiezing van Ahmadinejad kwamen toen tientallen mensen om het leven die democratische hervormingen in het land eisten.

Daarnaast is het onderwerp ook sterk gedaald op de nationale agenda. De regering-Ahmadinejad, die vroeger geen moment onbenut liet om te benadrukken dat 2.500 jaar Iraanse geschiedenis en technologische vooruitgang hadden geresulteerd in het glorieuze nucleaire programma, besteedt nu naar verhouding weinig aandacht aan het in bedrijf stellen van de reactor.

„De regering houdt de nucleaire zaak nu relatief stil, omdat de mogelijkheid bestaat dat ze in de toekomst een compromis moeten sluiten met het Westen”, zegt Mashallah Shamsolvaezin, een voormalige journalist die tegenwoordig analist is. Hij is na de verkiezingen twee keer voor langere periodes gevangen gezet.

„Onze leiders willen niet afgaan voor de hele natie, als ze eventueel moeten inbinden. Daarom is er nu een stuk minder aandacht op de staatstelevisie voor het nucleaire programma”, zegt hij in een vraaggesprek.

De economische gevolgen van de sancties doen de Iraanse leiders niets, zeggen ze. Ahmadinejad noemde nieuwe resoluties in juli, „papieren zakdoekjes”, die zo konden worden weggegooid. Maar hoewel Iran nog steeds olie mag verkopen – anders zouden de internationale olieprijzen onprettig stijgen – kan er praktisch geen technologie meer worden gekocht uit het buitenland voor de petrochemische sector. Het land zou jaarlijks 130 miljard dollar kunnen verdienen met zijn gigantische gasvoorraden, zeggen Iraanse experts, maar heeft door de sancties de middelen niet om ze uit de grond te krijgen en te vervoeren.

Maar zelf is Shamsolvaezin nog altijd voorstander van het nucleaire programma. „Alle offers zijn het waard”, zegt hij. „Straks zijn we een atoomnatie. Het land zal daar een prijs voor moeten betalen, maar vooruitgang gaat met bloed, zweet en tranen.”

Irans compromisloze buitenlands beleid komt voort uit historische ervaringen. Rusland, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten hebben Iran bezet, grondstoffen meegenomen en in het geval van Amerika een staatsgreep georganiseerd toen Iran zijn olie-industrie nationaliseerde.

Leiders en volk zijn het eens dat Iran een machtig, onafhankelijk land is dat respect moet krijgen van supermachten. „Ons geliefde Iran is gedurende zijn hele geschiedenis bedreigd”, zegt Ahmadinejad regelmatig.

„We vergelijken ons niet met buurlanden, want die hebben nooit iets zelf bereikt”, zegt Mazdak, een student chemie. „Wij proberen ons te meten met de belangrijkste landen, want daar willen we zelf ook deel van uitmaken.” Een land als Saoedi-Arabië, dat wel een moderne infrastructuur heeft maar geen eigen werkkrachten, kan op Iraanse afkeuring rekenen. „Wij doen het tenminste zelf”, zegt de student. „Het duurt langer, maar we komen er op eigen kracht”.