Redders in nood

Uitvindingen die de wereld op haar grondvesten deden schudden. Of juist niet. Deze week: rampenbestrijding.

Kijk ze staan. Tien mensen op een rij op een ‘harmonicabrug’ in 1926. Een beetje onwennig vanwege de foto. Of zou de brug wiebelen? Geen hoogwaardigheidsbekleders te zien. Het lijken eerder arbeiders, arbeiderskinderen, en op de hoek staat een soldaat van de genie.

Alleen de man met de bolhoed valt een beetje uit de toon. Is het de heer L. T. Deth uit Amsterdam, uitvinder van deze opvouwbare brug? Het geïllustreerde tijdschrift Het Leven had de brug van de uitvinder gekregen. Het was een tijd dat bladen hun maatschappelijke rol nog serieus namen. Het Leven stelde de brug „ter dispositie” van het Oranjekruis dat op dat moment de hulpverlening regelde van de watersnood die Nederland had getroffen.

Sinds half december 1925 had het in Nederland onophoudelijk geregend. Hoge temperaturen zorgden voor veel smeltwater in de rivieren. Op Oudejaarsdag was de eerste dijk doorgebroken, gevolgd door andere in de dagen erna. Rivierenland stond blank en de brug van Deth kon een bijdrage leveren. „De brug kan hetzij op den oever, hetzij zelfs in het water worden opgesteld.” Dat kon in een „recordtijd” van twee minuten. Het vervoer was geen enkel probleem. Ingeklapt paste de brug makkelijk in een handkar.

Rampen maken mensen inventief. In het boek Uitvinders in Nederland van het Nationaal Archief lezen we dat de ondergang van de passagiersboot SS Berlin in 1907 voor de kust van Hoek van Holland (128 van de 144 opvarenden verloren het leven) leidde tot een vloedgolf van uitvindingen van reddingsmiddelen. Tientallen amateurs en professionals stuurden hun ideeën – van drijfstoelen tot hele reddingstorens – naar een speciale staatscommissie onder leiding van prins Hendrik, die de ramp moest onderzoeken. Niets beklijfde. De prins deed vooral aanbevelingen tot reorganisatie van het reddingswezen.

Daar ontstonden wel cruciale vernieuwingen. Ook hier was een ramp de aanleiding. In 1921 verdween de reddingsboot Brandaris op Terschelling in een zware oktoberstorm op zee, zonder een spoor achter te laten. Het was de zoveelste noodlottige reddingspoging in korte tijd. Reddingsbootkapitein Mees Toxopeus van het destijds nog bewoonde Rottumeroog vond het idioot dat redders hun leven zo in de waagschaal moesten stellen: „De laatste tijd veel nagedacht (…) over een nieuw soort reddingboot”, schreef hij aan zijn bazen van de Noord- en Zuid-Hollandsche Reddingsmaatschappij (NZHRM). „Het zou een zelfrichtende boot moeten zijn, van ketelvormig model en in een gevaarlijke zee ook benedendeks te besturen, een soort onderzeeboot boven water.”

De NZHRM zag er aanvankelijk weinig in. Zo’n schip zou veel te duur worden. Maar hulp kwam uit onverwachte hoek: in Nederlands-Indië was na de ramp met de Brandaris een geldinzameling op gang gekomen. Met de opbrengst kon een nieuwe boot worden gefinancierd, vertelt Hans Beukema die hierover een boek schrijft. Toxopeus stapte met een schriftje vol tekeningen en aantekeningen naar scheepsbouwer Niestern in Delfzijl. Samen bouwden ze de eerste stalen motorreddingsboot ter wereld die, als hij omsloeg, weer vanzelf overeind kwam. Dat kwam door een smalle boeg, vollopende watertanks aan de zijkant en een zware kiel. In 1926 was de tewaterlating van de ‘Insulinde’, een verwijzing naar de geldschieters. Toxopeus zelf werd de eerste kapitein van het schip en redde nog vele drenkelingen.

En mocht u denken: waar heb ik die boot toch eerder gezien? De Insulinde kreeg in 1930 een zusje met de naam Neeltje Jacoba. Na haar reddingstochten werd die boot gekocht door de Amsterdamse gangsterbaas Klaas Bruinsma die hem vertimmerde tot een luxe privéboot. In 2003 haalde het saillante verhaal alle voorpagina’s: een voormalige lijfwacht verklapte dat Bruinsma op de Neeltje Jacoba de nacht doorbracht met de latere prinses Mabel Wisse Smit. Het kostte prins Friso zijn rechten op de troon.