Misdaad terugdringen vergt nationale politie

De capaciteit ontbreekt vaak om criminelen aan te pakken en financieel te ontmantelen. Tijd voor een nieuw politiebestel, vindt Harm Brouwer.

Handelaren in verdovende middelen, fraudeurs en afpersers hebben in Nederland relatief veel bewegingsruimte. Politie en Openbaar Ministerie (OM) hebben hen vaak wel in de gaten, maar de capaciteit ontbreekt om voldoende misdaadorganisaties daadwerkelijk aan te pakken en financieel te ontmantelen. Nieuwe inzichten en schattingen geven aan dat jaarlijks grofweg eenvijfde van de criminele groeperingen van de belangrijkste criminaliteitsvormen als heroïne- en hennephandel, witwassen en mensenhandel kan worden opgespoord en vervolgd. Voor de overige thema’s ligt dit nog lager. Dit handhavingstekort is verontrustend, want misdaad mag niet lonen.

Er is ook goed nieuws te melden. Het kabinet stelde zich ten doel het aantal gewelds- en vermogensdelicten in 2010 te reduceren met ten minste 25 procent ten opzichte van 2002; die doelstelling is op het terrein van de zogenoemde aangiftecriminaliteit nagenoeg behaald. Burgers zijn zich de afgelopen jaren ook substantieel veiliger gaan voelen. Deze gunstige ontwikkelingen zijn mede het resultaat van investeringen in de veiligheidsketen. Het OM wil dit bereikte niveau vasthouden en waar mogelijk nog verhogen. Criminele jeugdgroepen kunnen echter nog onvoldoende worden aangepakt en ook het overlastprobleem blijft verontrustend. Het meest van al maakt het OM zich echter zorgen over het handhavingstekort op de zware georganiseerde criminaliteit en de gevolgen hiervan voor de verwevenheid tussen onder- en bovenwereld.

Een krachtige opsporingsorganisatie vormt de kern van het criminaliteitsbeleid. Uitbreiding van de tactische sterkte van de politie is in dat verband dringend geboden. Het gaat dan niet alléén om meer van hetzelfde, maar ook om versterking van de digitale en financiële opsporing. Voorts moet een administratieve lastenvermindering – waar al jaren om gevraagd wordt – de recherche meer tijd geven voor het vangen van boeven, zij het dat ‘minder papierwerk’ een ondergrens kent waar zorgvuldigheid en controleerbaarheid in het geding komen. Ten derde vraagt een effectieve aanpak van criminaliteit om nog intensievere samenwerking tussen veiligheidspartners, zoals gemeenten, zodat criminaliteit kan worden voorkomen of in een zo vroeg mogelijk stadium tegengegaan. Het lokale bestuur, maar ook het bedrijfsleven en uiteraard de burgers zelf hebben daarin een wezenlijke eigen verantwoordelijkheid.

Naast deze versterkende maatregelen is het echter noodzakelijk te komen tot een effectievere politieorganisatie. De opsporing wordt immers gehinderd door versnippering van capaciteit en sturing, terwijl de complexiteit en schaal van criminaliteit vragen om schaalvergroting en integraliteit. Het huidige stelsel van 26 politiekorpsen vergt te veel tijd voor overleg, afstemming en besluitvorming. Bovendien ontberen kleine regiokorpsen de slagkracht om criminele groeperingen adequaat aan te pakken. Herziening van het versnipperde politiebestel is dan ook van groot belang voor het terugdringen van het handhavingstekort.

Eén Nederlandse politie, eenheid in beheer en taakuitvoering, lokale en regionale verankering en geen wijzigingen in het gezag over de politie zijn de trefwoorden waarop het nieuwe politiebestel moet rusten. Opschaling is nodig in verband met de complexiteit van bepaalde opsporingsvraagstukken. Die vraagstukken liggen op het terrein van zowel beheer als kwaliteit en de inhoud van de taakuitvoering. De verbinding met het lokale bestuur is hierbij van groot belang.

Het Openbaar Ministerie bepleit daarom de vorming van één politieconcern, bestaande uit landelijke voorzieningen en maximaal tien regionale eenheden, onderverdeeld in districten. Het nieuwe politieconcern valt beheersmatig onder eindverantwoordelijkheid van één minister, die tevens de werkgever is. Bij de indeling van de nieuwe regio’s wordt de verbinding gelegd met de onlangs door de Tweede Kamer aangegeven geografische indeling van de gerechtelijke kaart in tien arrondissementen.

Geen gezag zonder beheer: in een nationaal politiebestel vraagt de binding met de lokale omgeving bijzondere aandacht. Het gezag over de politie blijft daarom waar het de openbare orde en veiligheid betreft bij de burgemeester en voor de rechtshandhaving bij het OM. Politie en OM richten zich vanuit de basispolitiezorg en veiligheidshuizen op de lokale veiligheids- en leefbaarheidsproblemen en trekken daarin samen op met het openbaar bestuur en andere partners.

Vanuit het principe ‘beheer volgt gezag’ moet het nationale politiemodel beheersruimte bieden op regioniveau, waar de match wordt gemaakt van landelijke en lokale c.q. regionale prioriteiten. Waar beheer en taakuitvoering rechtstreeks raken aan het gezag over de politie, zoals in de capaciteitstoedeling en bij de inzet en prioritering, worden gemandateerde beheersbevoegdheden op het niveau van de politieregio belegd. Gezag zonder beheer leidt immers tot uitgehold gezag. De burgemeester van de regionale centrumgemeente (bv. de grootste provinciehoofdplaats in een regio) vervult hier een regierol. Hij komt in overleg met vertegenwoordigers van de burgemeesters uit de districten van de regio, de hoofdofficier van justitie en de regionale politiechef tot bevredigende afspraken. Verantwoording over het regionaal gevoerde beleid en beheer wordt aan de minister afgelegd.

De verantwoordelijkheid voor de bedrijfsvoering van de politie als concern ligt in handen van één landelijke politiechef of -directie, die tevens belast is met leiding over de politie. Deze legt verantwoording af aan de minister. Tot de bedrijfsvoering worden tevens generieke taken als personeel, financiën, automatisering en huisvesting gerekend, die het best landelijk kunnen worden georganiseerd. Dit levert een politiebestel op waarin de minister als eindverantwoordelijk bestuurder ten aanzien van het beleid en beheer wordt geadviseerd en bijgestaan door de landelijke politiechef en door een vertegenwoordiging van het bevoegd gezag op nationaal niveau: de tien burgemeesters van de regionale centrumgemeenten of een landelijk vertegenwoordiger van hen en de voorzitter van het College van procureurs-generaal.

De regiokorpsen zijn robuuste opsporingseenheden die in principe de verzamelplaats zijn voor alle opsporingsthema’s, inclusief het aanpakken van de zware criminaliteit. Zulke stevige regiokorpsen lenen zich beter voor sturing op kwaliteit en strategische inzet. Landelijk blijven de Nationale Recherche en andere op die schaal georganiseerde operationele diensten gehandhaafd. Nationale Politie met een sterke regionale/lokale verbondenheid biedt daarmee grotere slagkracht, flexibiliteit en efficiency. Met dit toekomstbestendige model kan de bestaande bewegingsruimte voor (zware) criminelen substantieel worden ingeperkt.

Harm Brouwer is voorzitter College van procureurs-generaal en topman van het OM.