Lijfgeur

Iedereen mocht het weten: Mario Been wou Tim de Cler nooit meer zien. Maar dan ook nooit meer. Broedsel uit de defensie dat hem durft te onderbreken tijdens een donderspeech in de kleedkamer gaat linea recta bij het grof vuil.

Je hoort nog weleens coaches die, na een teleurstellende wedstrijd, de vloer aanvegen met de selectie. Dat wil zeggen: met het collectief. De meest voorkomende zin is dan: „Ik had er wel tien kunnen wisselen.” Maar echt bitter wordt het niet. De persoonsgebonden afbranding blijft achterwege. Dus niet dat de linksback met zijn gedachten bij zijn schoonmoeder zat. Guus Hiddink heeft ooit Edgar Davids van een EK weggestuurd, maar hij hield het besmuikt op een disciplinaire maatregel. Het was niet iets persoonlijks.

Wat Mario Been, stomend van woede, voor de camera over Tim de Cler riep, was alleen maar persoonlijk. „Ik hoef hem nooit meer te zien”: het zijn kreten voor een vechtscheiding. In het voetbal gaat het er doorgaans iets zakelijker aan toe. Wat heet: de buitensporige mediatisering van de volkssport heeft voor een klimaat van censuur gezorgd. Elk woord van spelers en begeleiders wordt gescreend door een voorlichter, een makelaar, coach en bestuurslid, of andersoortige glimwormen, voor het gepubliceerd mag worden. Er is meer vrijheid van meningsuiting in een nonnenklooster dan in de eredivisie.

Het nekschot waarmee Mario Been een ‘eigen jongen’ in volle halogeenlicht afslachtte, was een ongekende inbraak op de heersende mores. De hele voetbalwereld keek er van op, niet in het minst Leo Beenhakker. Alleen mevrouw Been wist nog dezelfde avond: „Typisch Mario.” De gedoodverfde Pietje Bell kan als een emotionele kernkop door het lint gaan. Een dag later heeft hij alweer spijt van zijn onbewaakte razernij. De verzoening met De Cler kon dus niet uitblijven. En zo ruig hij in de aanval was, zo openhartig was hij in de zelfkastijding: „Dom, dom, ik ben heel dom geweest.”

Drie dagen later stond Tim de Cler in de basis tegen AA Gent.

Mario Been: de schattigste onder zijn gelijken.

Ik zie hem graag fladderen, op televisie. Altijd één brok onrust. Met de ogen van een jachthond die de vier windstreken op schieten. Immer gehaast, in een harmonica-achtige motoriek. Zo spreekt hij ook. Het wil maar niet lukken naar de vouw van het clubkostuum te praten. Mario is er te afwerend voor, te zeer in oppositie met zichzelf.

Ook als coach van het grote, zij het vervallen Feyenoord is hij zichzelf gebleven. Een verademing binnen de bloedgroep. Terwijl in zijn eerste dagen in de Kuip toch al supporters in T-shirts rondliepen waarop zijn afbeelding tot een Ché Guevaralook was gestileerd. En dat voor de zoon van een havenarbeider. Waar het precies zit, is mij onduidelijk, maar Mario Been draagt de schoonheid van de jaren vijftig in zich. De jaren van zwartwit. Stukadoorsjaren. Vorige zomer nog bracht hij met de selectie van Feyenoord een bezoek aan de haven. „Om de jongens eens te laten zien wat zwaar werk is.”

Zelf was hij als voetballer beslist geen draver. Hij speelde op flegma en klasse, nog net niet gemakzuchtig. En ook toen al ging hij het conflictmodel niet uit de weg. Als WK-junior riep hij in de krant dat de ouwe hap bij Feyenoord nu maar eens plaats moest maken voor Mario Been. Dat heeft hij geweten: de gekrenkte ouwe hap liet hem meteen in vogelvlucht alle reclameborden van de Kuip zien.

Bravoure is mijn naam.

Al is de zelfkennis met de jaren toegenomen. Zijn heroïeke temperament is niet meer wat het geweest is. „Als ze bij mij thuis inbreken, stuur ik eerst mijn vrouw om een kijkje te nemen, vervolgens de Jack Russel, daarna de kinderen, en dan ga ik. Een man moet zijn zwakheden kennen.”

Vorig seizoen werd hem een prestigestrijd met Roy Makaay toegedicht. Of de gereputeerde spits zat of de bank, óf hij werd gewisseld. Pas in de laatste weken van de competitie kon Makaay zijn fabuleuze status nog enigszins kansrijk consolideren. Analisten spraken schande van het oneerbiedige jojoën met de charismatische veteraan. Been bleef er onbewogen bij. En Roy Makaay had eigenlijk achteraf ook niet zoveel te klagen. Zei hij zelf. Bij zijn afscheid sprak hij woorden van lof voor de ‘zeis aller reputaties’. Nee hoor, hij kon heus niet beamen dat het hem, in zijn nadagen, aan respect had ontbroken. En ook niet aan warmte.

Straight zijn, is al jaren de lijfgeur van Mario Been. Juist daarom ademt hij een parfum van vergevingsgezindheid. Ultieme strateeg van het schouderophalen. Dus: over luttele dagen hangen ze weer in elkaars armen, Been en De Cler.

Zo verging het Hiddink en Davids uiteindelijk ook.