'Hoe de Chinees is ingericht, dat is óók design'

Timo de Rijk wordt in september de eerste hoogleraar designcultuur.

Hij relativeert het succes van Dutch Design. ‘We hebben veel bekende vormgevers zonder publiek.’

Designhistoricus Timo de Rijk rijdt in een vintage Alfa Romeo GTV6 – „als-ie wil starten, tenminste”. Zijn boeken en artikelen over vormgeving schrijft hij gezeten op een comfortabeleAeron-stoel van Herman Miller, een erkende designklassieker. En voor bloemen zou hij het liefste de Soft Vase van ontwerpster Hella Jongerius gebruiken. Maar helaas valt deze van synthetisch rubber gemaakte vaas om als hij met water en bloemen wordt gevuld, zegt De Rijk lachend.

Alfa Romeo, Herman Miller en Hella Jongerius – het zijn verantwoorde keuzes die passen bij De Rijks toekomstige baan: per 1 september wordt hij de eerste Nederlandse hoogleraar designcultuur.

Design Cultures is een nieuwe, Engelstalige masteropleiding aan de Vrije Universiteit Amsterdam. De leerstoel is voor een periode van vier jaar ingesteld door Premsela, de stichting voor Nederlandse vormgeving en mode. Doel van de eenjarige opleiding is het stimuleren van het onderzoek naar de positie en werking van design in de samenleving.

De baan lijkt Timo de Rijk (1963) op het lijf geschreven. Hij is als docent designgeschiedenis al meer dan tien jaar verbonden aan de Technische Universiteit Delft. Hij publiceerde een reeks boeken over vormgeving en stelde twaalf designtentoonstellingen samen, waaronder de expositie Norm=Vorm (over de invloed van standaardisatie op producten als de fiets), nu te zien in het Gemeentemuseum Den Haag.

Bij Blokker en Hema staan de schappen vol met ‘designproducten’. Ook roept ‘design’ bij velen associaties op met dure, vaak slecht zittende stoelen. Komt uw leerstoel niet te laat?

„Design is een sleets begrip geworden. En misschien had die leerstoel er al een paar jaar moeten zijn. Dat ik het woord toch gebruik, is omdat ik verwacht dat van het begrip ‘design cultures’ een zekere aantrekkingskracht uitgaat.

„Het grote publiek is slecht geïnformeerd over vormgeving. In mijn eentje kan ik daaraan natuurlijk weinig veranderen. Maar ik kan wel stimuleren dat op een kritische en intellectuele manier naar vormgeving wordt gekeken.

„Ik hoop vooral te bereiken dat velen gaan inzien dat vormgeving overal is en zich op vele manieren manifesteert. Dus niet alleen in handen van ontwerpers. Maar dat het ook verbonden is met regelgeving, met bepaalde anonieme producten, met bedrijfsculturen. Of dat het wordt ingezet als politiek instrument: Fidel Castro die in een uren durende toespraak de snelkookpan verkoopt als een daad van nationalisme. Met zo’n pan zouden Cubaanse huisvrouwen dure buitenlandse energie besparen.”

U wilt vormgeving bestuderen vanuit historische en sociaal-culturele invalshoeken, heeft u aangekondigd.

„Daarom heet de studie ook design cultures, in meervoud. Vormgeving op andere plekken dan waar je het verwacht: uit eten gaan, entertainment – dat vind ik interessante onderwerpen om te onderzoeken. Waarom is bijvoorbeeld de BMW 3-serie ineens zo populair onder Marokkaanse jongens? Oude auto’s van hooguit 4.000 euro worden op een speciale manier getuned, soms voor wel 10.000 euro. Nee, het imago van de succesvolle zakenman dat aan BMW kleeft, interesseert die jongens niet. Het is iets anders waarom ze juist in deze auto’s willen rijden. Fascinerend, toch?”

Wat valt er op vormgevingsgebied te onderzoeken aan uit eten gaan?

„Neem de inrichting van Chinese restaurants. De Chinees was in de jaren zestig de eerste plek waar Nederland uit eten ging: in suburbia, in restaurants die er opvallend eenvormig uitzagen. De betekenis van die vormgeving wil ik onderzoeken. De interieurs, het eten – nasi met een plak ham en een gebakken ei – het is Chinees omgevormd tot iets wat wij Nederlanders begrijpen als Chinees. Een vertaling.

„Al jaren gaat er wekelijks zo’n klassiek Chinees restaurant failliet. Als over vijf jaar de laatste Chinees is verdwenen, gebeurt hetzelfde als met de jukebox in het café: dan is opeens sprake van cultuurgoed dat wordt gemist. Daarom is het ook zo goed dat het Openluchtmuseum zo’n interieur van een Chinees restaurant heeft gekocht, inclusief het onvermijdelijke aquarium en de leesmap bij de afhaalbalie. Het is low culture, maar niet minder interessant dan het porselein, de lakdozen en de andere chinoiserieën die door musea zijn verzameld.”

Blijft zo’n onderzoek niet erg aan de oppervlakte?

„Er zijn beslist ook diepere lagen. Hoe gaan Chinezen om met vormgeving en met cultuur? In ons leeft het diepgewortelde idee dat een nieuw product avant-gardistisch moet zijn. Van die houding hebben Chinezen geen last. Sterker nog: ze hebben er geen bewondering voor. Als iets zich heeft bewezen, vinden Chinezen, dan doe je het toch gewoon nog een keer?”

Voor wie is de opleiding bestemd?

„Voor een nieuwe generatie curatoren en designcritici. Ik hoop op een podium voor mensen die kritisch en beschouwend naar vormgeving kijken. Die wens staat bijna haaks op de huidige situatie. Nu zijn het vooral designers die over vormgeving praten. Dat doen zij op een normatieve manier: dit is mooi, en zo moet het gebeuren. Dat is veel te beperkt. Wat vindt de consument van vormgeving en wat vinden fabrikanten? Op welke manieren speelt vormgeving een rol in de samenleving? Voor dat soort vragen hebben wij geen gereedschap ontwikkeld. Een bredere, meer intellectuele benadering kan leiden tot een rijkere designcultuur.”

Zonder zelfreflectie, zegt Dingeman Kuilman, directeur van de Premsela Stichting, wordt Dutch Design een karikatuur van zichzelf.

„Ontwerpers voeren hier nauwelijks intellectuele discussies, zoals je die onder architecten wel hebt. En zonder meningsverschillen ontstaat er ook geen geschiedenis. Ik ken geen land waar ontwerpers theoretisch zo slecht zijn uitgerust als bij ons. Ontwerpers discussiëren vooral met hun producten. Gijs Bakker heeft twintig jaar geleden een vaas gemaakt en daarop wordt gereageerd door een nieuwe generatie. Het debat is niet groter of dieper dan dat.”

Vormgeving lijkt een typisch Nederlandse kwaal, beweerde Gerrit Komrij in zijn rubriek in deze krant over hedendaagse kunstwonderen. De overdreven aandacht voor vorm verhult onze leegte, schreef hij.

„Een aantal keren sloeg Komrij de spijker op zijn kop. Maar over het algemeen vond ik hem in die rubriek een oude oom die op verjaardagen beweert dat Piet Mondriaan zo’n knoeier was. Komrij wil niks van design begrijpen. Dan is het heel makkelijk daarover badinerend te doen. Zijn houding is overigens van alle tijden. Zelf verzamelde Komrij vroeger meubilair van de Amsterdamse School-ontwerpers. Daarover werd in de jaren twintig net zo venijnig geschreven als hij nu doet over hedendaagse vormgeving.”

Ondanks het gebrek aan debat wordtDutch Design geprezen om de ideeënrijkdom en het conceptuele karakter.

„Ja, het woord conceptueel ligt Renny Ramakers [directeur van het designlabel Droog, red.] en Lidewij Edelkoort [oud-directeur Design Academy Eindhoven] inderdaad vaak voor in de mond. Ik heb mijn twijfels of veel Nederlandse ontwerpers wel een eigen wereld hebben gecreëerd die alleen naar zichzelf verwijst. Van iemand als Jurgen Bey kan je dat misschien nog zeggen. Bij Hella Jongerius zie je goed dat ze veel meer op bestaande ontwerpen reageert, zonder duidelijke eigen agenda. Begrijp me goed: dat geeft niks, want ze maakt geweldige dingen. Maar conceptueel is het naar de letter van het woord beslist niet.”

De bekendste Nederlandse ontwerpers, zoals Maarten Baas, Hella Jongerius, Jurgen Bey en Studio Job, zijn vooral te zien in galeries en musea. Hoe komt dat?

„Nederlandse vormgevers willen niks te maken hebben met de industrie, want dat leidt maar tot onpersoonlijke producten. Door te kiezen voor het museum houden ze controle over hun producten, over de betekenis van wat ze maken. Waarom ze hun producten zo afschermen van de buitenwereld? Ik zie het als een vorm van emancipatie. Ze willen gehoord en gezien worden. En dus hebben ze de plek gepakt die tot voor kort aan schilders en beeldhouwers was voorbehouden: de galerie en het museum.

„Ik begrijp het succes wel. Kunstenaars zijn bezig met het scheppen van een eigen wereld. Een universum dat vaak moeilijk te begrijpen is. En wat doet de Nederlandse ontwerper? Die zet in het museum een kast en een vaas neer. Dat snapt iedereen. Waarom had de Duitse kunstenaar Joseph Beuys in de jaren zeventig zo’n succes? Omdat hij middelen gebruikte die iedereen begreep: dekens, een hond en een klomp vet. Voor mij is Jurgen Bey de hedendaagse Joseph Beuys. Hij communiceert op een vergelijkbare manier.”

Maar een gebruiksproduct krijgt zijn betekenis toch door de gebruiker?

„Het succes van Dutch Design is inderdaad het succes van het museum. We hebben veel bekende vormgevers zonder publiek. In de media en door liefhebbers wordt er hard voor ze geklapt. Maar er is niet een groot publiek dat in het gebruik betekenis geeft aan hun producten. Begrijp me goed: ik ben daar niet negatief over. Het is een constatering, een fascinerend feit. Voor Dutch Design gelden de codes van de kunst. Er is maar één zender en met de ontvangers houdt niemand zich bezig.”

Heeft die houding nog veel toekomst?

„Het is misschien tijd voor bezinning. De Design Academy Eindhoven is altijd erg gericht geweest op originaliteit. Op de eindexamententoonstelling zag je elk jaar wel een aantal bijzondere studenten. Als het idee goed is, is het vaak meteen heel goed. Maar bij een groot deel van de studenten zie ik slappe ideetjes.

„Droog, de andere vaandeldrager van Dutch Design, is van een designlabel verworden tot een zender van signalen naar de media. In contracten met ontwerpers staat dat nieuwe producten interessant moeten zijn voor de media. Dat vind ik cynisch.

„Topontwerpers, de Hella’s en de Jurgens, vormen overigens maar een klein stukje van de designwereld. Er zijn een heleboel minder bekende Nederlandse vormgevers die uitblinken in het ontwerpen van publieke ruimtes, in games en commerciële kleding. Neem G-Star. Als jeansmodemerk heeft dat in twintig jaar tijd een wereldnaam opgebouwd. Daar onderzoek naar doen is misschien wel veel interessanter.”