Geen leven buiten de puinhopen

Meer dan een half miljoen Haïtianen vluchtten na de grote aardbeving naar het platteland. Velen zijn alweer teruggekeerd. Het leven buiten Port-au-Prince biedt weinig perspectief.

Kerkgangers woonden afgelopen zondag een openluchtmis in Port-au-Prince bij op de locatie van de grote kathedraal die bij de aardbeving is verwoest. Foto AP People attend a mass at the site of the Cathedral that was destroyed by the Jan. earthquake in Port-au-Prince, Haiti, Sunday Aug. 15, 2010. (AP Photo/Ramon Espinosa) AP

Port-au-Prince mag nog steeds in puin liggen, Inesse Kerlegrand (49) wil er gewoon weer gaan wonen. Na de grote aardbeving in januari trok zij van de hoofdstad naar het Haïtiaanse platteland, ver weg van het onheil. Nu, acht maanden later, zegt ze: „Ik ga terug. Er is niets hier. Geen werk, geen elektriciteit, geen scholen voor mijn kinderen. Geen toekomst.”

Kerlegrand zit in de schaduw onder een boom, in het stadje Arcahaie. De hitte is onontkoombaar. Ze draagt een legergroene jurk en een paars hoofddoekje. Vlakbij staat het huisje van haar familie waar nu ze met haar drie dochters woont.

Arcahaie (ruim 100.000 inwoners) is een uitgestrekte provinciestad op anderhalf uur rijden van Port-au-Prince. Dit is bananenland. Overal langs de weg groeien bananenbomen.

In de regio is bijna geen werk te vinden. Vrijwel iedereen leeft hier van de landbouw: je eet wat je verbouwt. „We kunnen pas iets kopen als onze familie in de Verenigde Staten geld heeft gestuurd”, zegt Kerlegrand. Met rondhangen en verhalen vertellen brengt ze haar dagen door. Ze mist televisie kijken.

Ruim 570.000 Haïtianen ontvluchtten na de ramp de hoofdstad. Zij gingen naar steden als Les Cayes, Gonaïves en Arcahaie. Naar de huidige woonplaats van Kerlegrand trokken zo’n twintigduizend mensen. De vluchtelingen vonden onderdak bij familie, of belandden in tentenkampen.

Veel gevluchte Haïtianen zijn inmiddels teruggekeerd naar het grotendeels verwoeste Port-au-Prince. Gebrek aan hulpverlening, inkomen en mogelijkheden om een nieuw bestaan op te bouwen, zijn daarvoor de belangrijkste redenen.

Op de internationale donorconferentie voor Haïti in New York van eind maart presenteerde de Haïtiaanse president René Préval nog een toekomstplan voor het land. Daarin stond economische ontwikkeling van de regio’s centraal.

Port-au-Prince vormt met zijn vliegveld en haven van oudsher het zwaartepunt van de nationale economie. Er wordt al jaren gesproken over de noodzaak van een meer gelijkmatige verdeling van de bedrijvigheid over de achtergebleven provincies. Het zou een verdere uittocht van het platteland naar de overbevolkte hoofdstad een halt toe moeten roepen.

Het voorbeeld van Arcahaie laat zien waarom stimulering van de regio’s noodzakelijk is. „Vluchtelingen gaan liever terug naar de kapotte hoofdstad, dan dat ze hier blijven”, zegt Pierre Joseph, locoburgemeester van de stad. „We hebben ze niets te bieden. De mensen hier hebben het zelf te druk met overleven.”

Het gemeentehuis van Arcahaie is een wit gebouw in het kleine centrum. Het bestaat uit een lege ontvangstruimte en enkele kamers. In het kantoor van de locoburgemeester staat een bureau, waarop zich een nietmachine, een lijmtube, een rekenmachine en enkele velletjes papier bevinden. Er zijn ook nog twee kleine archiefkasten. Verder niets.

Joseph zelf moet ook zien te overleven. Sinds mei heeft de locoburgemeester geen loon meer ontvangen vanuit de hoofdstad. „Niemand hier die voor de overheid werkt, heeft een cent gezien de afgelopen maanden. Dat komt door de aardbeving, niets functioneert meer en wij zijn de dupe.”

Haïti zou niet alleen de economie maar ook de politieke macht moeten decentraliseren, vindt hij. „Elke keer als een ngo of andere internationale organisatie ons wil helpen, moet dat via Port-au-Prince worden geregeld. Waarom kunnen ze niet direct naar ons toe komen? Alles wordt op deze manier vertraagd.”

Structurele hulp heeft de straatarme gemeente nooit gehad. Niet van de overheid, niet van buitenlandse organisaties. Wel zijn er incidentele acties geweest. De Taiwanese regering heeft een keer wat tractoren uitgedeeld en de nationale hulporganisatie van de Franse overheid heeft enkele irrigatiesystemen aangelegd. „Heel fijn, maar het is niet genoeg”, zegt de locoburgemeester.

De afgelopen decennia heeft de Haïtiaanse overheid amper geïnvesteerd in de landbouw, terwijl het overgrote deel van de bevolking direct of indirect afhankelijk is van die sector. Een gevolg is dat ruim 70 procent van de etenswaren geïmporteerd moet worden uit het buitenland.

Ondertussen zijn alle bossen in het land zo goed als verdwenen door massale houtkap in het verleden. En dat heeft weer consequenties voor de landbouw. Als het te hard en te lang regent in Arcahaie, spoelen alle grond en gewassen weg. Joseph: „Tegelijkertijd zijn er bijna geen irrigatiesystemen. We zijn afhankelijk van de regen en dat maakt het leven hier onvoorspelbaar. Daarom blijft de hoofdstad zo’n aantrekkingskracht uitoefenen.”

Een van de naar Port-au-Prince terugkeerde vluchtelingen uit Arcahaie is de 33-jarige Angelique Dumas, verkoopster van cosmetische producten. Op Delmas, een grote drukke straat in de hoofdstad, probeert zij shampoos en zepen te slijten aan het vrouwelijke publiek, in de hitte en de stank van uitlaatgassen en afval.

Toch zit ze liever hier de hele dag, dan dat zij rondhangt bij haar zus in Arcahaie. Ze zegt: „Hier heb je alles, kan je geld verdienen. Daar heb je geen perspectieven. Was dat anders geweest, dan was ik misschien liever gebleven.”