Filantrokapitalisme

Een plaatsje op de Quote 500, een informele lijst van de meest vermogende Nederlanders, heeft zijn voordelen en zijn nadelen. Aan de pluskant staat dat je vermoedelijk geen zorgen hebt over de vraag waar de huur van de volgende maand vandaan moet komen. Minder plezierig is het verhoogde risico dat je in de nek wordt gesprongen door types die je wel een paar euro’s lichter willen maken. En dan gaat het niet alleen om kidnappers en financiële struikrovers; ook voor je collega-rijkaards moet je oppassen.

Daar kwamen enkele toppers op het Forbes 400 overzicht van rijkste Amerikanen achter toen ze een uitnodiging kregen van Bill Gates en Warren Buffett, de nummers 1 en 2 op de lijst, om eens een hapje te komen eten. Het bleken de duurste toegangskaartjes ooit. De prijs: de helft van je vermogen. Als je tussen de 1 en de 50 miljard dollar op je naam hebt staan, is dat heel wat.

De insteek van Gates en Buffett was om de grote, opgehoopte privévermogens te mobiliseren voor maatschappelijke doelen. Het gezegde van de oude Andrew Carnegie – „het is een schande om rijk te sterven” – werd erbij gehaald. Die had tegen het eind van de negentiende eeuw veel geld verdiend als staalmagnaat, maar gaf dat ook weer weg om onder andere het muziekcentrum Carnegie Hall in New York, de Carnegie Mellon University in Pittsburgh en het Haagse Vredespaleis te laten bouwen.

Gates, de oprichter van technologieconcern Microsoft, staat zelf stevig in die traditie met de oprichting van de Bill & Melinda Gates Foundation. Daar zit op het ogenblik ruim 30 miljard dollar in, waarmee de stichting onder andere de grootste bestrijder ter wereld is van malaria – groter dan de Verenigde Naties. Het geld is deels afkomstig van Gates’ vriend Buffett, die heeft gezegd dat hij voor zijn dood 99 procent van zijn vermogen wil weggeven aan maatschappelijke doelen, en vindt dat zijn vriend Bill een beter netwerk heeft om dat voor hem te regelen.

Het was te verwachten dat er allerlei bezwaren en tegenwerpingen zouden komen tegen wat intussen al filantrokapitalisme is gaan heten. Een columnist in de Financial Times vindt dat deze grootvermogende heren niets anders doen dan macht en controle uitoefenen op gebieden waar ze niets te maken hebben, en in The Lancet klaagt iemand over het gebrek aan transparantie van hun private filantropische instellingen.

Het is ook nooit goed. Het gaat om grote vermogens. Inherent aan vermogen is dat het veel vermag, ten goede of ten kwade, door dingen te doen of na te laten. Is het dan beter dat dit geld op gaat aan hedonistische frivoliteiten als privé-eilanden, jachten en jets? Of wekt misschien het grootschalige weggeven zelf afgunst op, zoals ooit de opzichtige porseleinsmijterij bij de eet- en drinkgelagen van de Russische aristocratie? Hoe kostbaarder het servies, des te meer je liet zien dat je niets gaf om een paar duizend (oude) roebels. Daar kon het toekijkende, arme en vaak hongerige lage volk knap chagrijnig van worden. Afgunst wekken was de bedoeling natuurlijk ook.

De indianen in de noordwestelijke Verenigde Staten kenden de traditie van de potlatch, die later door de blanke machthebbers is verboden als verspillend, onproductief en zelfs onchristelijk. De potlatch was een weggeefwedstrijd, een competitie in vrijgevigheid, waarbij het er niet om ging, afgunst te wekken maar aanzien te verwerven. De status van een clan of familie werd niet bepaald door wie het meeste bezat of behield, maar wie het meeste weggaf. Dat kwam altijd ten goede aan de minder bedeelden of aan de stam als geheel. Wie wel veel bezat maar niet meedeed, liep afkeur en schande op.

De actie van Gates, Buffett en hun medemiljardairs is geen waardevernietigende porseleinsmijterij, maar een variant van de potlatch. Vermogen en macht hebben zij, dat is een gegeven, en ook de vrijheid om daar naar keuze maatschappelijk nuttig dan wel zelfzuchtig mee om te gaan.

Maar de potlatch werkt alleen in de context van een werkelijk ervaren samenleving, en onder de voorwaarde dat er een retourstroom van eer en aanzien bestaat. Het is op zich al wonderlijk dat bovenbazen zich iets aantrekken van wat wij kleine luiden over hen te lezen krijgen en van hen vinden. Wij kunnen aanzien verlenen of onthouden, en daarmee dingen in beweging zetten of blokkeren. Kennelijk is dat ook een vorm van vermogen, net als geld.

Daarom is de zuurdoenerij van de critici ook zo contraproductief, want tegenover materiële vrijgevigheid stellen zij krenterigheid van geest. Als er alleen maar azijn en geen waardering te oogsten valt, waarom zou iemand dan aanzienlijke sommen geven aan de samenleving van die zuurpruimen, een samenleving waar ze de gever kennelijk niet bij willen hebben?

In Nederland hebben we een oude traditie van particuliere filantropie; zie de talloze hofjes en weeshuizen in oudere steden als Leiden, Deventer of Utrecht. Die traditie is goeddeels weggesmolten doordat de overheid in de loop van de twintigste eeuw het monopolie op maatschappelijke zorg naar zich toe getrokken heeft. Dat leverde minder toeval en willekeur op, en het kwam ons allemaal wel goed uit ook. Nu hoefden we niet meer zelf de portemonnee te trekken want onze bijdrage zat al in de belastingaanslag. Die overheidsrol gaat de komende jaren hard veranderen met de diepe bezuinigingen die er aankomen.

In het Engeland van premier Cameron kondigen de eerste voorboden daarvan zich al aan. Achter de banier van ‘Big Society’ gaat daar de werkelijkheid schuil dat de overheid zich uit een groot aantal maatschappelijke rollen zal terugtrekken. Particuliere vrijgevigheid zal veel moeten opvangen, en waar dat niet gebeurt zal dat leiden tot zichtbaar en schrijnend leed op straat.

Ook in dit land zullen we binnenkort een flinke dosis filantrokapitalisme nodig hebben. De vraag is, of hier een Gates en een Buffett rondlopen om een Nederlandse potlatch aan te zwengelen. En of er voldoende applaus komt om hem in gang te houden.