Een dode, maar toch geen lijk

Waarin zijn mensen uniek? Deze week: de mens is het enige dier dat kan flauwvallen door heftige emoties.

Illustratie Frank Dam

Het overkwam madame Bovary toen ze abrikozen uit een mandje at. Ze viel ‘zomaar’ flauw. Tenminste, dat dacht haar naïeve man Charles. In werkelijkheid had Emma Bovary net uit haar ooghoek gezien hoe haar (ex-)minnaar zich voorgoed uit de voeten maakte. Zonder dat ze hem kon tegenhouden en zonder dat ze iets kon laten blijken. De Franse schrijver Gustave Flaubert liet zijn negentiende-eeuwse heldin van ellende in elkaar zijgen.

Een beetje een hysterisch typje, die madame Bovary? Niet per se. Haar flauwte past bij de manier waarop moderne artsen kijken naar een ‘vasovagale syncope’ – een verminderde bloedtoevoer naar de hersenen die (geëmotioneerde) mensen als een zoutzak laat neervallen, waarna ze helemaal gezond weer opstaan.

Volgens die moderne zienswijze vallen mensen op deze manier flauw wanneer tegenstrijdige signalen een patstelling in hun brein veroorzaken. Als alles in hen wil schreeuwen of slaan, maar ze toch beleefd moeten blijven glimlachen. Als hun lichaam al klaarstaat om weg te rennen, terwijl de situatie vereist dat ze rustig blijven zitten waar ze zijn. Zoals Emma Bovary in haar verstikkende huiskamer, of zoals een ‘patiënt’ die bij het bloedprikken een naald ziet naderen.

In zulke gevallen zoeken de hersenen soms een ongebruikelijke uitweg. Ze zetten de bloedvaten wijd open, ze laten het hartritme vertragen, of zelfs even wegvallen: de bloeddruk daalt en de ‘patiënt’ gaat onderuit.

‘Wij zien hier een doode’, schreef de Nederlandse arts en wetenschapper Herman Boerhaave in 1703, ‘maar toch geen gewoon lijk.’ Want als het bloed weer gaat circuleren, ‘houden alle droeve verschijnselen van den dood op en keert het leven, opgewekter dan voorheen, terug. En niet alleen het leven, maar ook de warmte, de blozende huidskleur, de lenigheid, het denkvermogen, kortom alle natuurlijke en specifiek menschelijke levensuitingen keeren tegelijkertijd weder.’

En zo flauwvallen, dat overkomt een dier dus nooit. Dieren vallen wel eens neer, maar dan is er steeds een lichamelijke oorzaak aan te wijzen. Nog nooit is gemeld dat een dier tijdelijk het bewustzijn verloor na sterke emoties, schrijft J. Gert van Dijk in een uitvoerig overzichtsartikel over fainting in animals [Clinical autonomical research, 2003, 13:247-255].

Van Dijk somt uiteenlopende gevallen op van dieren met flauwtes. Een doodshoofdaapje viel ooit ‘flauw’ na zestien uur vasten, maar dat zouden we nu geen flauwvallen meer noemen, schrijft hij. En de dromedaris die in elkaar zakte tijdens lichamelijke inspanning (onvermeld blijft welke), had chronische hartproblemen.

Ook de ‘flauwvallende’ Tennessee-geiten die spontaan omvallen als ze schrikken, hebben een lichamelijk probleem. Ze lijden aan een erfelijke spierziekte die hun poten letterlijk laat verstijven van schrik. Net zo is het twijfelachtig of je van flauwvallen kunt spreken wanneer zenuwachtige hengsten tijdens de eerste paring onderuitgaan.

Wat dieren wel heel goed kunnen, is zich dood houden. Zoals buidelratten die een jachthond zien naderen. Of zoals haaien en biggetjes die ineens ondersteboven worden gedraaid en zo een tijdje worden vastgezet in een kooi.

Hoe langer biggetjes in die benarde positie moesten blijven, hoe docieler ze in hun latere leven zijn, meldt Van Dijk nog. Maar EEG-metingen laten zien dat het brein van die zich dood houdende dieren intussen gewoon actief blijft. En bij de buidelratten verraden kleine oorbewegingen en veranderingen in de hartslag dat ze, quasidood, nauwlettend in de gaten houden of de hond nadert.

Ontstond ‘emotioneel flauwvallen’ uitsluitend bij mensen doordat alleen mensen een bewustzijn hebben dat ingewikkelde sociale interacties mogelijk maakt – en dus ook daarbij behorende tegenstrijdigheden? Maar waarom is er dan bij mensapen nooit een (voor)teken van flauwvallen gevonden?

Van Dijk suggereert dat onze lichaamsbouw, en het feit dat wij op twee benen door het leven gaan, het flauwvallen misschien stimuleren. Dat mensen hun hoofd boven hun hart dragen, is daarbij niet doorslaggevend, laat hij zien. Want dat doen struisvogels, mensapen, veel grazers en allerlei andere niet-flauwvallende dieren ook. De giraffe heeft tussen hart en hoofd zelfs drie meter afstand zitten.

Crucialer lijkt dat bij de mens nog wat goede aanpassingen ontbreken aan een rechtopgaand bestaan met een groot hoog hoofd. Bij de giraffe bijvoorbeeld duwen een strakke huid en gespierde bloedvaten als een natuurlijke steunkous het bloed uit de poten naar het hart terug. De mens stelt daar vrij armzalig een paar stevige benen tegenover waarin het bloed gemakkelijk naar beneden zakt.

En terwijl de chimpansee en de baviaan maar een fractie van hun bloed (6 procent en 4 procent) nodig hebben voor hun brein, moet bij een mens een vijfde deel van het bloedvolume naar de hersenen omhoog worden gepompt – drie tot vijf keer zoveel.

Het kan goed zijn dat juist die twee zaken mensen extra gevoelig maken voor flauwvallen, blijkt uit het stuk van Van Dijk. Ofwel, madame Bovary zeeg óók ineen wegens haar stevige benen en haar grote brein.