'De zintuigen zijn randapparatuur'

In een interviewserie over zintuigen: hoogleraar neuropsychologie Edward de Haan. ‘Ogen, oren, neus, tong, huid zijn verbonden met de computer: ons brein.’

Er bestaan mensen die alles kunnen zien behalve ‘beweging’. Een beroemd geval is een vrouw uit München, zegt Edward de Haan, hoogleraar neuropsychologie aan de Universiteit van Amsterdam. „Ze ziet geen auto’s rijden, de auto is er opeens. Ze ziet geen stromende vloeistof als ze iets inschenkt. Heel onpraktisch. Ze lost dat op door een vinger in het kopje te steken, zodat ze voelt wanneer het glas vol is.”

De afgelopen weken vertelden mensen op deze plaats over hun zintuiglijke ervaringen, waarbij meestal één zintuig overheerste – de tong voor de chefkok, de huid voor de ‘aanraker’ en de neus voor de parfumeur. Voor Edward de Haan zijn alle zintuigen belangrijk, en tegelijk bijzaak. Ogen, oren, neus, tong, huid – hij noemt ze ‘randapparatuur’, aangesloten op de computerchip van de hersenen. Door de zintuigen begrijpen we de wereld. Hij wil begrijpen hoe dat gaat.

De naïeve kijk op zintuigen is dat ze als sponzen de buitenwereld opzuigen, zegt De Haan. Maar zintuigen zijn doeners, erop gericht om zo snel mogelijk die informatie eruit te filteren die ertoe doet. „Als ik een kopje wil pakken, wil ik precies weten waar het is. Dan gaat er bij het kijken naar het kopje een prikkel naar de ‘motorgebieden’ in de hersenen, voor actie.” Als je inzoomt op het kopje om het eens goed van alle kanten te bekijken, gebeurt er iets anders. Dan gaat er een prikkel naar de geheugengebieden. „Het hangt af van de ‘taak’ welk hersengebied je activeert.”

Defecte zintuigen vervormen de buitenwereld. Tegelijk illustreren ze hoe in gezonde hersenen de waarneming werkt. De Haan kent een man met kleuragnosie – die wel kleuren ziet, maar ze niet herkent. „Als je hem vraagt wat voor kleur dat boek is (groen), dan weet hij het niet. Dan doet hij eerst dit.” Hij draait zijn hoofd en richt zijn blik op een boom. „Hij weet dat blaadjes groen zijn en ziet dat de kleur van het boek erop lijkt.” Daaruit blijkt dat het herkennen van kleuren een aparte hersenfunctie is.

Wat wij kleuren noemen, is elektromagnetische straling met verschillende frequenties, zegt De Haan. Kinderen leren die in categorieën te verdelen. In de buitenwereld is niets dat iets ‘rood’ of ‘groen’ maakt. Het zijn etiketten die wij erop plakken, deels cultureel bepaald. Als Nederlanders en Russen naar de kleur blauw kijken, noemen Russen twee kleuren, Nederlanders één. De Haan wijst op de set koffiemokken op zijn tafel, die oplichten en glanzen in het bewegende licht dat door een boom heen op tafel valt. „Het licht maakt kleurverschillen op die mokken, toch zien we één kleur. Je hebt geleerd dat ‘rood’ te noemen.”

De Haan trad aanvankelijk in de voetsporen van zijn vader, een natuurkundige die in het natlab van Philips aan de ontwikkeling van de kleuren-tv werkte. Thuis bekeek het gezin de eerste proefuitzendingen. „Omdat het kleuren-tv was, moesten die uitzendingen ook heel kleurig zijn. Presentatoren in groene pakken, danseressen in bonte jurkjes. Mijn vader zat ervoor, op de grond, met een enorme bak vol knopjes om alles in te stellen.”

De Haan brak een studie natuurkunde af en koos voor neuropsychologie. In het begin van zijn loopbaan deed hij vooral onderzoek naar het geheugen. Later, in Oxford, kwamen daar de zintuigen bij. In Oxford werkte hij tien jaar in het zogeheten schotwondenprogramma, opgezet door een Australische arts aan het begin van de Tweede Wereldoorlog. Die reed met een mobiele unit achter het front aan. Jonge mannen met schotwonden in het hoofd vloog hij naar Oxford. Hij opereerde ze en bleef ze volgen.

Zo ontstond een populatie gezonde jonge mannen met kleine hersenbeschadigingen. Later kwamen er Korea-gangers bij. Een goudmijn voor de neuropsycholoog.

De Haan moest in Oxford de toen al behoorlijk oude veteranen opnieuw onderzoeken. „Ze kwamen uit het hele land, Schotland, Engeland, Wales. Meestal met een paar tegelijk. Het onderzoek duurde bijna een week en was heel uitgebreid. In het ziekenhuis kregen ze scans. En we lieten hen allerlei experimentele taken doen.”

In Oxford ontmoette hij voor het eerst een man met prosopagnosie, iemand die geen gezichten kan herkennen. „Hij kon iemands ogen, neus en mond beschrijven. Hij kon zeggen: deze is boos, deze kijkt blij. Maar hij wist niet wie het was, of je nou foto’s van familieleden of beroemde mensen liet zien. Hij kon dat ook niet leren.”

De Haan ontdekte tot zijn verrassing dat het hersensysteem voor het herkennen van gezichten niet bij alle patiënten met prosopagnosie beschadigd was. Dat bleek uit een eenvoudig taakje. Hij liet een patiënt een gezicht zien van een bekend persoon, zeg prins Charles. Dat beeld verdween weer. Daarna liet hij de naam zien van een verwant persoon – zeg Camilla. „Een gezonde proefpersoon herkent die naam sneller als hij net het gezicht van prins Charles heeft gezien dan als hij iemand anders heeft gezien. Wat bleek: hij óók.”

Hoe kon dat als de man geen gezichten herkende? Blijkbaar herkende hij ze wel. Alleen: hij wist niet dat hij ze herkende. „Kennelijk moet er in de hersenen iets extra’s gebeuren voor de informatie van de zintuigen bewust wordt. Dát was bij hem beschadigd.”

Wat dat ‘iets’ is, is nog onbekend. Eén theorie zoekt de oorzaak in de frontaalkwab. „Daar zit het grootste verschil tussen ons en de andere zoogdieren, die geen bewustzijn hebben. Daar zou dan iets misgaan.”

Prosopagnosie – of gezichtsblindheid – komt volgens De Haan vrij veel voor. Je kunt er ook aanleg voor hebben. „Zoals er mensen zijn die slecht zijn in taal, zo zijn er ook mensen die slecht zijn in het herkennen van gezichten. Die krijgen op een gegeven moment door: verrek, al die mensen herkennen elkaar direct als ze ergens binnenkomen. Ik moet wachten tot ze gaan praten, zodat ik de stemmen herken.”

Bij de mens is het zicht het meest ontwikkelde zintuig. Ruiken gaat veel minder goed. De Haan had eens een collega die ‘de neusprofessor’ werd genoemd. Hij trainde mensen in het onderscheiden en beschrijven van geuren voor de Parijse parfumhuizen. „Hij zei altijd: de gemiddelde Nederlander kan zeven geuren betrouwbaar herkennen.”

Hebben mensen geur minder hard nodig? „Nee, we gebruiken het wel als alarmsysteem. Bijvoorbeeld om rottend voedsel te herkennen. Maar we zijn gewoon enorm visuele dieren. Het verwerken van visuele prikkels neemt bijna eenderde van het brein in beslag. We zijn er ook ontzettend goed in. Mensen denken dat het herkennen van gezichten makkelijk is en lezen moeilijk. Maar dat komt omdat ons brein erop gebouwd is. Mensen laten een snor groeien, blonderen hun haar, verouderen. Maakt allemaal niet uit. Je maakt bijna nooit fouten in het herkennen van gezichten.”

De Haan schetst met zijn vulpen twee langgerekte hersenhelften met onderin wat schubachtige vakjes. Dat zijn de ‘retinotope’ gebiedjes, die de visuele waarneming regelen. „Die gebiedjes hebben allemaal een andere functie. Sommigen detecteren beweging, anderen kleur, of vorm, of hoeken. Het lijkt of de buitenwereld uit elkaar wordt getrokken. Maar dat merk je niet. Het wordt eerst weer geïntegreerd. Dan pas vindt de bewuste waarneming plaats.”

Elk beschadigd gebiedje geeft een ander probleem. Daarom zijn er mensen die geen beweging kunnen zien en ook mensen die geen vormen meer kunnen zien. „Ze zien wel kleur. Ze kunnen zeggen: het glimt. Het lijkt metaalachtig. Ik zie iets bewegen. Maar ze kunnen niks meer herkennen. Ze zijn functioneel blind.”

Onlangs ontdekt: een vrouw die na een beroerte geen ‘helderheid’ meer kan herkennen. „De man van deze vrouw zei: ‘Als we gaan slapen, doet ze het licht aan en zegt: slaap lekker’. We hebben vijf standen aangebracht op een dimmer en haar de lichtsterkte laten schatten. Dat was totaal onmogelijk. Ze zei ‘uit’ als het ‘aan’ was en omgekeerd. Deze vrouw heeft problemen bij het zien van verschillen in helderheid. Ze neemt wel verschil waar, maar weet niet of het donkerder of lichter is.”

Zo kunnen de zintuigen, de instrumenten om de wereld te begrijpen, de wereld ook op zijn kop zetten. „Er zijn patiënten die zeker weten dat hun dierbaren zijn vervangen door robotten of ruimtewezens”, zegt De Haan. „Een vreselijke conditie. Mensen gaan partners en kinderen verwonden om te laten zien dat er draden in zitten.” De aandoening werd lang beschouwd als een psychiatrische stoornis. Maar de meeste patiënten met dit ‘syndroom van Capgras’, genoemd naar de Franse psychiater die in de jaren twintig voor het eerst een geval beschreef, hebben volgens De Haan een hersenbeschadiging.

„Je ziet bij hen in feite het omgekeerde als bij gezichtsblindheid. Het cognitieve kennissysteem is intact en zegt: Hé, daar is mijn zoon. Maar – en dat kun je vaststellen via elektroden op de huid – de emotionele ervaring ontbreekt. Als je dan ook nog een paranoïde inborst hebt, ga je gauw denken: ‘Hij lijkt erop, hij probeert het te zijn, maar hij is het niet’. Een onthutsend beeld.”