Boksen

Op de mooie ochtend van donderdag de twaalfde augustus liep ik om een uur of elf tevreden door een stil deel van Oud Zuid. Zonder daar iets bijzonders voor te doen, had ik weer geluk gehad. Om dat te vieren, besloot ik mezelf op een ijshoorntje te trakteren. Daar in de buurt is een winkel met als specialiteit chocoladeijs. Eén bolletje had ik wel verdiend. Terwijl ik stond te genieten, klonk er buiten een heftig getoeter. Twee automobilisten waren ontzettend boos op elkaar, dat was meteen duidelijk. Je denkt dat een claxon altijd hetzelfde geluid maakt, maar dat is een vergissing. Vooral in Nederland kunnen mensen achter het stuur in allerlei variaties toeteren. Van gewoon waarschuwend, via getergd, diep verontwaardigd, tot schuimbekkend razend. Dat is door Rudy Kousbroek al eens vastgesteld.

Wat ik daar hoorde, kwam dicht bij de uiterste fase. Het ijsbolletje was op, ik ging naar buiten. Daar zag ik voor het stoplicht twee auto’s van de bescheiden middenklasse heel dicht naast elkaar staan. Met hun toeters waren de bestuurders elkaar hartstochtelijk aan het uitschelden. Het licht sprong op groen. Ze bleven hun lawaai maken. Dat schoot niet op. Toen sprong die in de rechterauto naar buiten – nog een heel werk want je moet over de lege rechterzitplaats heen en er is een kans dat je in die ingewikkelde beweging een deel van je woede verliest. Niet in dit geval. De keurig geklede man van een jaar of dertig rukte het portier van de vijand open en begon hem met zijn vuisten te bewerken.

Tegen het geweld van de slagen in wrong die, ook een keurig heerschap, ongeveer even oud, zich naar buiten en begon terug te boksen. Binnen een paar minuten was er een verbitterd gevecht ontstaan, ja, zo fanatiek dat ik voor hun levens begon te vrezen. Wat doe je dan als hoogbejaarde en enige toeschouwer. Je er tussen werpen? Roepen: heren, heren, een beetje kalmer kan ook wel? Even voelde ik wel de neiging. Maar ik had die ochtend al veel geluk gehad. Don’t stretch it, zeggen ze in Amerika. Eerst bleef ik verstard naar die wilde stieren kijken. Dacht: dat loopt niet goed af, liep terug naar de ijswinkel en zei tegen het meisje: Bel de politie! Terwijl ze dat deed, hielden de heren buiten het voor gezien, sprongen in hun auto en reden vol gas weg, de ene naar links, de andere naar rechts. Nog goed afgelopen.

Terwijl ik naar de tramhalte liep, schoot me plotseling de bokswedstrijd tussen Mike Tyson en Evander Holyfield te binnen. Het was in 1997, ik was in New York, zette de televisie aan en viel bij toeval in de directe uitzending. Deze twee heren gingen ook genadeloos tegen elkaar tekeer. Toen gebeurde er iets wat niet in overeenstemming met de regels van the noble art of selfdefense was. Holyfield greep naar zijn oor en Tyson spuugde iets op het canvas. Verwarring in de ring, de wedstrijd werd gestaakt, de scheidsrechter bestudeerde het oor van Holyfield. En ja, hij stelde vast dat Tyson er een stukje had afgebeten. Dat lag nu op de grond. Consternatie.

Al eerder had ik eens een boksmatch livegezien, in Madison Square Garden, tussen iemand die zich Charly ‘the Beast’ Mugabe noemde en Marvellous Marvin Hayes. Dat was de eerste keer dat ik een profwedstrijd zag, en ook de laatste. Ik was erheen gegaan omdat ik ook gebokst heb, tussen mijn 17de en mijn 21ste. Ten slotte tot de conclusie gekomen dat het geen sport voor mij was. Ik werd boos, driftig als ik op mijn kin werd geraakt, wilde iets terug doen, wraak nemen. Dat is volkomen verkeerd. Je moet je sportief aan de regels houden. Dan, zeggen de kenners, is het een mooie sport. Het zal wel, maar ik houd mijn wantrouwen.

Daar in Oud Zuid was het in ieder geval goed afgelopen. Het restje van mijn hoorntje heb ik verkruimeld voor de vredesduiven.