Weg met de goden

In het Festival Oude Muziek in Utrecht laait een legendarische Franse operaoorlog uit de achttiende eeuw weer op: Rousseau contra Rameau, ofwel volks vermaak tegen elitair, klassiek theater. Deze keer wint Rameau.

De vijandelijkheden begonnen op 1 augustus 1752 in de Parijse Opéra. Een half jaar eerder was daar een eind gekomen aan de roerige twist tussen de Lullistes en de Ramistes, de aanhangers van de Franse componisten Jean-Baptiste Lully en Jean-Philippe Rameau. Het was een strijd tussen oude stijl en en nieuwe stijl. Lully, de hofcomponist van Lodewijk XIV, was immers al 65 jaar dood. Hij stierf aan wondkoorts nadat hij met zijn dirigeerstok op zijn voet had gestampt. De gevierde Rameau was nog volop in leven, hij zou pas twaalf jaar later overlijden.

Nu brak in de Parijse Opéra opnieuw een gevecht uit. Deze keer ging de strijd tussen Frankrijk en Italië, tussen Rameau en Pergolesi. Die nieuwe operaoorlog zou legendarisch worden als de Querelle des Bouffons (De twist over de Bouffons).

„Het leek wel een kwestie van staatsbelang of een godsdiensttwist”, schreef Rousseau later, in 1770, in zijn Confessions. De felle woordenstrijd, vooral gevoerd in pamfletten, mondde uit in een debat over aard en strekking van de nationale kunst, zoals er niet was geweest sinds De Staat van Plato, 2.100 jaar eerder. Voor Plato was kunst verdacht. Hij wilde de kunst onderwerpen aan het staatsbelang, emoties waren uit den boze.

De aanleiding was bijna futiel. Op 1 augustus 1752 gaf het Italiaanse operagezelschap van de Bouffons een voorstelling van La serva padrona van Pergolesi. Het was een kort komisch stuk (dienstmeid krijgt haar baas én diens geld), bedoeld als pauzevermaak tijdens een lange tragische opera.

Een paar jaar eerder hadden de Bouffons La serva padrona ook al gespeeld in Parijs, zonder opzien te baren. Maar nu ontstond een schandaal omdat de klucht werd opgevoerd in de Académie Royale, het nationale Franse theater. Dat koninklijke podium was slechts bedoeld voor de meest serieuze en hoogstaande Franse kunst. Het prestige van de natie en het geloof in de eigen cultuur werden hier ondergraven.

De tegenstanders van de Italiaanse opera verzamelden zich bij de loge van Lodewijk XV en zijn maîtresse. Dat was tijdens de Querelle des Bouffons de ene factie. De liefhebbers van de Italiaanse opera vormden de andere factie bij de loge van de koningin, die de Italiaanse stijl verdedigde.

Buiten het theater ging de verhitte discussie verder. Tientallen geschriften pro en contra werden gepubliceerd. Pergolesi spleet de Franse natie, het hof, de musici, de schrijvers en de filosofen: het was koning tegen koningin, Voltaire contra Rousseau.

Baron de Holbach maakte in een open brief de Italiaanse stijl belachelijk. De criticus Grimm ridiculiseerde de Franse stijl. De dirigenten kunnen beter gaan houthakken in Bohemen. De zangers trekken onbeschaamd gekke bekken en maken geluiden alsof ze gorgelen. De schrijver, kunstcriticus en Encyclopedist Diderot hekelde al die kwaadaardigheid en stelde voor eens een vergelijking te maken, maat voor maat, tussen de muziek van Lully en Terredellas, een Spanjaard die componeerde in Italiaanse stijl.

Dan schrijft Jean-Jacques Rousseau zijn provocatieve Lettre sur la musique Française, uitgegeven in Amsterdam om de censuur te ontlopen. Hij propageert de Italiaanse stijl: leve de eenvoudige en natuurlijke melodie van Pergolesi in plaats van die ingewikkelde en kunstmatige overmaat aan noten van Rameau. Weg met die classicistische operaverhalen vol Griekse goden, zet eens het Franse boerenleven op het podium. Ook vindt Rousseau de Franse taal, wegens de structuur en uitspraakregels, niet goed en overtuigend op muziek te zetten.

Rameau, de geleerde componist die kan worden beschouwd als de Franse Bach en ook de auteur van een baanbrekende natuurkundige studie over samenklanken, veegt de vloer aan met de al te eenvoudige muzikale opvattingen van Rousseau: melodie en harmonie zijn niet van elkaar te scheiden.

Maar ondertussen had Rousseau veel succes met zijn operaatje Le devin du village (De dorpswaarzegger, 1752). Het ging in première in het kasteel Fontainebleau. Lodewijk XV (1710-1774) vond het prachtig en Rousseau hield er een levenslange toelage aan over. Het was de verwarring ten top: Rameau leek verslagen, door Rousseau en door de koning.

Er lag veel meer ten grondslag aan het discours over puur muzikale en theatrale zaken, over het belang van tragische en komische opera. Een paar decennia na de dood van Lodewijk XIV (1638-1715) begon de Verlichting, aan het eind van de achttiende eeuw zou alles gaan veranderen, de Revolutie lag in het verschiet. De Querelle des Bouffons nam daarop een voorschot. Het was een conflict tussen oude gestrengheid en nieuwe luchtigheid. Het verkalkte ancien régime, vastgelopen in rituelen, tegenover vrijheid en natuurlijkheid.

Het hof en de adel stonden tegenover de bourgeoisie. De staat en de elite tegenover volks vermaak in de Académie, de toonzaal van de pure Franse kunst. De omwenteling in aantocht werd gesymboliseerd door de aanvankelijke tegenstelling tussen de koning en de koningin, Lodewijk XV en de voormalige Poolse prinses Maria Leszczynska.

Onder Lodewijk XIV zou zo’n meningsverschil ondenkbaar zijn geweest. De absolute vorst, de Zonnekoning, verpersoonlijkte de staat: het ‘L’état, c’est moi’ was op hem van toepassing. Maar hij was ook de personificatie van de kunst die daaraan glorie verschafte: ‘L’art, c’est moi’ had hij kunnen zeggen. De staatskunst verenigt immers het land, toont de nationale waarden en verworvenheden, zoals in de pracht en praal van het Paleis van Versailles.

Het optreden van Lodewijk XIV als koning was een kunstwerk. Elke dag van zijn leven verliep als een streng geregisseerd toneelstuk, waarbij hij de hoofdrol vervulde in het verblindende ceremonieel dat zijn macht en glorie uitstraalde. Het paleis en de tuinen met hun uitgestrekte waterpartijen en imposante fonteinen waren de decors voor een voorstelling, net als de maaltijden vaak begeleid met muziek.

Een vroeg hoogtepunt van de koning als kunstenaar was zijn optreden als danser in het Ballet de la nuit (1753) op muziek van Lully. De in Florence geboren Giovanni Battista di Lulli was in Frankrijk begonnen als danser. Genaturaliseerd tot de Fransman Jean-Baptiste de Lully werd hij de vriend van Lodewijk XIV. Later werd hij rijk doordat de koning hem het monopolie gaf op opera in Frankrijk.

Samen dansten Lodewijk en Lully op het podium in zijn balletten. In het Ballet de la nuit maakte de 15-jarige Lodewijk zijn dansdebuut in de rol van de Roi soleil, de Zonnekoning die met zijn alles overstralende présence de nacht verjaagt.

Die flonkerende en verblindende Zonnekoning zien we nu weer terug op de met veel bladgoud gerestaureerde hekken van het Paleis van Versailles. Lodewijk XIV stopte pas met dansen op zijn 32ste. Lully verlegde zijn werk van het ballet naar de opera, waarin het ballet een vast onderdeel was. Dat was voortaan een vereiste voor de echte Franse opera. Nog in de negentiende eeuw hadden ook Wagner en Verdi aan die wet te voldoen als zij een stuk schreven voor de Parijse Opéra.

Rousseau haalde een halve overwinning in de operaoorlog. Zijn volkse kunst kreeg op het hoogste niveau geen brede navolging, maar was wel een voorloper van de Romantiek. Rameau raakte uit de gratie. Pas de laatste decennia is Rameau herontdekt. Het concert Rousseau versus Rameau van de Holland Baroque Society in het Festival Oude Muziek is een onderdeel van dat eerherstel.

De muziek van Rameau moet het ongelijk bewijzen van Rousseau, aanwezig in de verteller Johan Leysen. Dirigent Alexis Kossenko wil het publiek ervan overtuigen dat de muziek van Rameau superieur is en verre van saai, zoals Rousseau beweerde. Maar ook dat Rousseau een tijdperk aankondigde van makkelijk in het oor liggende muziek, zoals de populaire muziek van vandaag.

Festival Oude Muziek Utrecht: 27 aug. t/m 5 sept. Holland Baroque Society, 1 sept. 20 uur Vredenburg Leidsche Rijn. Inl. www.oudemuziek.nl