Waar ben je?

‘Dit is een weergaloos boek”, zegt mijn vriend. Hij straalt. Hij vindt niet gauw iets weergaloos.

Wanneer ik opkijk uit het boek dat ik liever al uit zou hebben, zie ik dat hij is begonnen in de roman waarin ik enkele weken woonde.

Ik las de eerste hoofdstukken gulzig. Ik las misschien wel voor het eerst een boek waarvan ik absoluut niet kon voorspellen welke kant het zou opgaan. Ik moest bij elke regel opletten – alsof ik met 280 kilometer per uur door een landschap schoot – om geen detail te missen.

David Foster Wallace ontgaat niets. Tot in de pijnlijkste details beschrijft hij het menselijk gedrag. Schijnbaar moeiteloos ontrafelt hij knopen in de geest. Wallace lezen is een ander zien, meemaken, ruiken, proeven en – na de laatste pagina – heel erg missen.

Ik voelde me bevoorrecht dat ik zijn gedachten kon delen terwijl ik The Broom of the System las en trapte op de rem toen ik merkte dat het aantal pagina’s in mijn rechterhand slonk. Ik genoot van elk woord. Probeerde het lezen te rekken omdat elke lettergreep die ik tot me nam een afscheid betekende.

Natuurlijk kun je een boek nog eens lezen. Maar je kunt nooit een boek nog eens voor het eerst lezen – een vanzelfsprekendheid die me doet denken aan een liedje van Sade, dat ik keer op keer beluisterde op een taperecorder die ik kreeg voor mijn tiende verjaardag. It’s never as good as the first ti-hime... zingt Sade over het kussen van een jongen. Ik nam haar woorden ter harte en besloot nooit aan het kussen van jongens te beginnen.

Ik geef mijn vriend een kus en vraag: „Waar ben je?”

Terwijl ik mijn vraag stel, realiseer ik me dat het vragen naar een plaats veel zegt over hoe we verhalen beleven. Net als uit ‘Hoe ver ben je?’ Lezen blijkt reizen te zijn. Ergens anders zijn, en daarin bewegen.

Hij antwoordt niet. Hij bevindt zich in de wereld van David Foster Wallace. Ik wil hem dit gunnen. Ik wil het landschap van Wallace met hem delen. Maar zo eenvoudig is het niet: ik mis het om er te zijn. Ik heb het boek al enkele weken uit en het verhaal ontglipt me. Ik weet niet eens meer hoe de hoofdpersoon heet die op zoek gaat naar haar uit het bejaardenhuis ontsnapte grootmoeder, die ook al zo heet. Lorraine, Leslie, Leanne?

„Hoe heet ze ook alweer?” vraag ik met luide stem.

Mijn vriend kijkt verschrikt op. Dan begint hij te stralen en zegt in geoefend Frans: „Henriette?”

Henriette is sinds we in Frankrijk zijn een onderwerp. Mijn vriend was hier voor het eerst met haar. Leven met haar was niet gemakkelijk, maar – blijkens de eindeloze reeks herinneringen die de Bretonse kust aan haar oproept – indrukwekkend.

Ik wil niet jaloers zijn. Zeker niet op een ex-vriendin. Maar waarom ligt haar naam op het puntje van zijn tong?

Ik wil weten hoe het meisje uit The Broom of the System heet. Ze leeft in taal. Ze meent – naar het voorbeeld van haar grootmoeder, die Wittgenstein van nabij meemaakte – dat ze alleen bestaat wanneer er over haar wordt gesproken. Ze bestaat uitsluitend in andermans hoofd.

En nu ben ik haar naam vergeten.

Ik laat ‘Henriette’ onbeantwoord om mijn vriend niet te laten merken dat ik jaloers ben op zijn boek.