'Schrijven grenst soms aan waanzin'

Na twee uitstapjes naar de jaren vijftig (De verdronkene en De kegelwerper) ging Margriet de Moor verder terug in het verleden. In haar roman De schilder en het meisje, die dit voorjaar uitkwam, zijn de hoofdrollen voor Rembrandt en een van zijn onvrijwillige modellen: Elsje Christiaens, een jonge Deense vrouw die kort na haar aankomst in Amsterdam een moord pleegt en zowel terecht- als tentoongesteld wordt. ‘Een uitzonderlijk rijke roman’, oordeelde Arjen Fortuin in Boeken (30-04-10), en de meeste critici waren het met hem eens; maar ook een roman die vragen oproept – over de vrijheid van de historisch romancier, over de geloofwaardigheid van fictie en over engagement via de kunst. ‘Ons domein is het atelier, de schrijftafel.’ Door Pieter Steinz

Margriet de MOOR ( 1944) Nederlandse pianiste en auteur. foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Nederland. Amsterdam, 25 juni 2010 ©Vincent Mentzel 2010

We kennen Margriet de Moor als een schrijfster die haar boeken doordesemt van muziek. Maar dit keer is het de schilderkunst.

„De beeldende kunst is me niet vreemd; mijn man was schilder en beeldhouwer. Het beeldend kijken is me daarom zeer vertrouwd. En het past bij me. Leg de dingen niet uit, laat ze maar zien. De schilder en het meisje kwam ook nog eens voort uit een kunstwerk waar ik op stuitte: een ets van Goya uit de serie De verschrikkingen van de oorlog. Je ziet een man aan een boomtak hangen, broek omlaag, en aan de rand van de executieplaats zit een soldaat van Napoleon zelfvoldaan toe te kijken.

„Dat beeld deed me denken aan een tekeningetje van Rembrandt dat ik kende uit mijn studie kunstgeschiedenis en uit een artikel van de archiefonderzoekster I.H. van Eeghen. Een kleine afbeelding van een meisje aan de schandpaal, met naast haar hoofd de bijl waarmee ze haar hospita het hoofd had ingeslagen. Geert Mak heeft er nog een mooi hoofdstuk aan gewijd in zijn geschiedenis van Amsterdam. Voor mijn boek ben ik het blaadje papier – tien bij vijftien centimeter– gaan bekijken in de kluizen van het Metropolitan Museum in New York. Ik heb er een uur naar gestaard, in het besef dat je hier een ontmoeting ziet, tussen de grootste kunstenaar uit de geschiedenis en een onbekend meisje met een tragisch lot.”

Een moordenares.

„Ja, ze had haar ‘slaapvrouw’, een pensionhoudster, gedood. Het waarom daarvan is onduidelijk gebleven. Dat is onderdeel van de fascinatie die ze uitoefent: je kunt haar levensgeschiedenis zelf invullen, en dat is wat ik heb gedaan. Mijn medelijden met haar was minder belangrijk dan dat ik mij in die moord van haar inleefde. Ze voelt zich bedreigd als ze in geldnood komt en naar een bestaan als prostituee wordt gedreven – en dat in een stad die hoe dan ook te groot is voor een plattelandskind uit Jutland.

„Het is, denk ik, veelbetekenend dat het voor mij geen probleem was om de moord op de slaapvrouw te beschrijven, maar wel de doodstraf, de wurging van Elsje. Dat was zo afschuwelijk. Ik heb dat alleen kunnen doen via de omtrekkende beweging van de executie op een vrouw die 21 jaar eerder bij datzelfde Stadhuis op de Dam had plaatsgehad.

„Elsje is de belichaming van de gedachte dat de meeste mensen leven met dingen die veel te groot voor hen zijn. In haar geval: de overgang van het platteland naar de metropool, het taalprobleem, leven in een kosthuis, geconfronteerd worden met een verschijnsel – prostitutie – dat je niet kent. Haar laatste confrontatie met de slaapvrouw heeft iets irrationeels, je kunt die plotselinge uitbarsting nauwelijks begrijpen.”

Een typische De Moor-heldin. ‘Elk mens heeft zijn redenen voor onverklaarbaar gedrag’, schreef u vijftien jaar geleden in ‘De hertog van Egypte’.

„Als dat mijn soort heldin is, dan zit de wereld er vol mee. Wij leven allemaal met enorme, ongrijpbare dingen om ons heen, en onzinnig gedrag vertonen we dagelijks. In Eerst grijs dan wit dan blauw heb ik ook zo’n situatie beschreven: een man doodt zijn vrouw omdat hij niet kan verkroppen dat ze zonder uitleg twee jaar bij hem is weggeweest.”

Elsje wordt in de roman afgezet tegen een van Rembrandts andere modellen, het Joodse bruidje.

„De Joodse Bruid is het schilderij waaraan Rembrandt kan hebben gewerkt in 1664, dus wanneer het verhaal zich afspeelt. Je kijkt naar een liefdespaar, en wat je ziet is een innige liefde die niet voor even, maar voor altijd is. Kunsthistorici nemen aan dat het eigenlijk een bijbelse voorstelling is, van Isaac en Rebecca, maar mijn verhaal brengt dit liefdesmotief heel dicht naar de schilder persoonlijk, die juist zijn tweede vrouw heeft verloren. Het contrast tussen de grote liefde die het schilderij toont en de gruwelijke terechtstelling van de jonge migrante, is de achtergrond van de roman.”

Elsje heeft een voor- en een achternaam. Rembrandt wordt door u in het boek consequent aangeduid als ‘de schilder’.

„Ik heb hem incognito gelaten, om hem de schilder te laten zijn die hij toen, in 1664, was, en niet de wereldberoemdheid van eeuwen later. Tegelijkertijd heb ik hem algemeen willen maken. In zekere zin staat hij voor elke schilder die aan het werk is, en wiens engagement op dat moment te vinden is in zijn métier: pen, inkt, papier. Mijn roman gaat over zware dingen, een moord, de doodstraf, de pest, die onder anderen Rembrandts vrouw Hendrickje doodde. Als tegenwicht van al dat verschrikkelijks is er dan bijna als een soort happy end dat liefdevolle tekeningetje van het dode meisje op het galgenveld in Amsterdam-Noord.”

‘Schilders zijn niet bezig om de tijdsduur een vorm op te leggen, zoals dichters, maar voorzien de vorm van een tijdsduur, de blik.’

„Ja, dat bedenkt de schilder in het boek op een keer. Het is intrigerend om je te realiseren dat bijvoorbeeld de muziek, de literatuur, de dans, kunstvormen zijn die tijd nodig hebben om zich te tonen, maar dat een schilderij er is, in zijn geheel, op het moment van één blik. Aanmatigend bijna, je begrijpt het Tweede Gebod – ‘Gij zult geen godenbeelden maken, geen afbeelding van enig wezen’. Een beeld is zó’n onwrikbare aanwezigheid.

„Het is niet moeilijker om over een schilder te schrijven dan over een castraatzanger, zoals ik heb gedaan in De virtuoos. Muziek is abstract. De dubbelzinnigheid van het spelen met de wereld om ons heen zit in de schilderkunst en in de literatuur, maar niet in de muziek.”

Het spel met de werkelijkheid wordt in ‘De schilder en het meisje’ heel vrij gespeeld; de illusie van de historische roman wordt voortdurend door anachronismen doorbroken.

„Ik heb geen speciale ambitie om historische romans te schrijven. Maar wat de vaststaande feiten betreft, blijft het boek binnen de grenzen van de geschiedenis. De schilder en het meisje zijn historische figuren, van de een weten we relatief veel, van de andere weten we niet veel meer dan haar naam en het gerechtelijk verslag van haar dood. Bij de schilder heb ik mij zeker gehouden aan wat van hem bekend is, Elsjes leven mocht ik voor een groot deel reconstrueren. De schilder en het meisje is een roman uit 2010; je kunt niet schrijven in de taal van de 17de eeuw. Alleen al door die ‘normaal’ te maken, ben je anachronistisch bezig.”

Het gaat verder dan dat. Een lid van de Kunstcommissie zegt tegen Rembrandt ‘U rotzooit maar wat aan’, een beroemd citaat van Karel Appel. Sommige hoofdstuktitels citeren moderne auteurs en musici.

„Rembrandt kreeg nogal wat kritiek van zijn tijdgenoten; zijn latere collega Gerard de Lairesse noemde zijn werk geklodder. Die Kunstcommissie zou best gezegd kunnen hebben dat Rembrandt maar wat aanrotzooide; je kunt het zelfs omdraaien: misschien citeerde Appel – als onbewuste provocatie – wel de Kunstcommissie. En wat die hoofdstuktitels betreft: citaten als ‘Ga niet zomaar die brave nacht in’ van Dylan Thomas of ‘De lugubere gondel’ van Franz Liszt komen vanzelf. Het boek zuigt dat soort dingen naar zich toe. Dat is geen kwestie van vooraf uitdenken. Het illustreert bovendien mijn idee dat alle kunsten met elkaar verweven zijn, dat er een soort ondergronds gebied is waar alle kunsten samenkomen. Zoals ergens in mijn boek wordt beweerd: ‘Er is niets wat kunstenaars belet, zeker geen futiliteiten als plaats of tijd, zich met elkaar te onderhouden.”

Er is in de roman ook een alwetende verteller, die Van Gogh het woord geeft of parallellen suggereert tussen de aanleg van de grachtengordel en de bouw van de Amsterdamse metro.

„Er is niets mis met een alwetende verteller, en ik gebruik hem vaak, zoals ik hem ook graag links laat liggen. Bij De schilder en het meisje zou ik niet willen spreken van zo’n verteller. Het verhaal is geschreven in de hij/zij-vorm, afwisselend vanuit het perspectief van de schilder en van Elsje. Wat je zou kunnen aanzien voor die alwetende verteller is wat ik de ‘fluctuerende blik’ noem. Het boek vertelt het verhaal, maar reflecteert daar ook op, bijvoorbeeld door Van Goghs mateloze bewondering voor De Joodse Bruid dwars door de chronologie heen te laten breken. Niet onlogisch, want het gaat over een schilderij dat, net als het tekeningetje van Elsje, zijn zeggingskracht door de eeuwen heen heeft bewaard. Het is de stem van het boek die je dan hoort, het boek weet bepaalde dingen.”

Dat klinkt mystiek.

„Een alwetende verteller vind ik ook behoorlijk mystiek. De logica van een roman is heel anders dan de logica van alledag. Een boek, gemaakt van woorden, doet alsof het echt is; maar dat is het niet. Het is fictie, en dat geeft de schrijver de vrijheid – om als het verhaal er om vraagt van perspectief te wisselen en om de consequentie te doorbreken. Consequentie in de literatuur is een onzinnige eis van literatuurwetenschappers. Kijk naar Flauberts Madame Bovary, met dat eerste hoofdstuk in de wij-vorm. Kijk naar De Toverberg, waarin Mann zich niets gelegen laat liggen aan zijn verteller.”

Sommige auteurs zouden bang zijn om hun lezers af te schrikken.

„Onder het werk denk ik niet aan de lezer. Net zo min als een beeldend kunstenaar, voor zijn doek op zijn atelier, zich zal afvragen: wat zouden ze ervan vinden als ik hier nou eens blauw doe? Een schrijver mag alles; hij moet niets en hij hoeft niets. Zelfs geen massapubliek, dat heeft de literatuur nooit gehad, en nooit nodig gehad ook. Kunstenaars, lijkt mij, zijn uitsluitend in gesprek met het werk dat ze onder handen hebben, en dat is enerverend genoeg. Als het boek klaar is, is het van de lezer. De roman is het intiemste kunstwerk dat er bestaat, maar het is geen zaak tussen de schrijver en de lezer. Het is een zaak tussen het boek en de lezer.”

Zo lijkt het alsof de buitenwereld er helemaal niet aan te pas komt.

„Maatschappelijk engagement kan erg mooi zijn, ik denk bijvoorbeeld aan de grote 19de- eeuwers, Dickens, Tolstoj, Victor Hugo. Maar geef het niet als morele opdracht aan de literatuur! In De hertog van Egypte, waarvoor ik jarenlang research naar de cultuur van zigeuners heb gedaan, heb ik het engagement, dat een grote rol in het boek speelt, aan een ik-verteller gegeven, een gadji, een burgervrouw.

U heeft in uw essaybundel ‘Als een hond zijn blinde baas’ over het engagement van de kunstenaar geschreven.

„Ja, daar komen een paar grote geëngageerde kunstwerken in ter sprake – Guernica van Picasso, Max Havelaar van Multatuli – die vooral grote kunstwerken zijn, en de dood van Franco niet hebben bespoedigd en de Nederlandse koloniale politiek niet werkelijk hebben veranderd. Een boek kan mooi zijn, net als een schilderij, een beeld of een muziekstuk; en in dat geval streelt het je eenzaamheid, je vernuft, je moreel. De literatuur behoort tot de kunsten zoals de muziek en de beeldende kunst dat doen. Ons terrein is het atelier, de schrijftafel.”

Dat ligt in de lijn van wat ‘De schilder en het meisje’ beweert over het ‘schaamteloos selbstgefällige’ van grote kunst: ‘Kunstenaars moeten zichzelf steengoed vinden. Een beetje goed werkt niet.’

„Die passage gaat over kunstenaars die het interieur van het Stadhuis hebben verfraaid, daar heb ik het dus niet over mijzelf. Maar één ding is zeker, je moet als schrijver niet bang zijn, want het werk grenst soms aan waanzin. Ik zie schrijven als de confrontatie tussen mij en een verhaal. Het boek lijkt er al te zijn, maar je moet het nog wel op papier krijgen. Vergelijk het met Rodin die zei dat het beeld al in de steen zit en dat je het er alleen maar uit hoeft te hakken.”

Dat was toch Michelangelo?

„Een bewijs te meer dat het een tijdloze waarheid is.”

Margriet de Moor: De schilder en het meisje. De Bezige Bij, €23,50