Over het nut van de vergetelheid

Omnem memoriam discordiarum oblivione sempiterna delendam”, zei de Romeinse redenaar Cicero op 17 maart 44 v. Chr., twee dagen nadat de moord op Caesar het Romeinse staatsbestel op zijn grondvesten had doen schudden: alle herinnering aan de onenigheden dient door een eeuwige vergetelheid weggenomen te worden. Vergetelheid, of zelfs een verbod op herinnering ter wille van een nieuw begin, het wegnemen van een handvat voor gevoelens van haat en revanche, heeft in onze cultuur oude papieren.

Voor het maken van een nieuw begin, en voor maatschappelijke wederopbouw is vergetelheid vaak een zeer succesvol middel. Na de dood van dictator Franco in 1975 was het in Spanje decennia lang niet bon ton te spreken over de massale slachtpartijen tijdens de burgeroorlog in de jaren dertig, of nadrukkelijk onderscheid te maken tussen politici die hadden gedijd onder het fascisme, en politici die in ballingschap hadden geleefd – eendrachtig werkten allen aan herstel van de democratie.

Ook in Nederland is georganiseerde vergetelheid courante praktijk. Nadat in 1945 enthousiast een begin was gemaakt met het door middel van bijzondere gerechtshoven en zuiveringscommissies goeden van fouten scheiden, en de laatsten eventueel tegen de muur zetten, won al een jaar later het inzicht terrein dat het voor de verdere opbouw van de samenleving beter was het erbij te laten zitten. Indische Nederlanders die in de naoorlogse jaren naar Holland kwamen, werden niet geacht nog te zeuren over het koloniaal verleden.

De Duitse classicus Christian Meier heeft onlangs in Das Gebot zu vergessen (Siedler 2010) een lans gebroken voor vergetelheid. Hij ziet in de afkeer ervan de invloed van de joods-christelijke component in onze cultuur. De Bijbel staat vol met vermaningen het verbond Gods met zijn uitverkoren volk, en bij extensie de christenheid, niet te vergeten.

Maar georganiseerde vergetelheid of zelfs, zoals in Frankrijk in 1814, een verbod op openbare herinnering, behoren eveneens tot ons erfgoed, betoogt Meier. Dit fenomeen gaat minstens terug tot de omverwerping van de Dertig tirannen van Athene in 404 v. Chr., die ongeveer 5 procent van de bevolking hadden vermoord. Na het herstel van de democratie mocht daarover niet verder worden gesproken.

Vergetelheid is moreel onbevredigend, maar wel verdomd praktisch, en soms onontbeerlijk. En dat het nu juist een Duitser moet zijn die ons daarop wijst. Natuurlijk, antwoordt Meier: misdaden mogen niet worden vergeten. Maar de duizenden Oost-duitsers die uit de Stasi-archieven konden opmaken dat hun eigen man of vrouw hen jarenlang bespionneerde, had deze kennis beter bespaard kunnen blijven.