Ook zaterdagavond is de donkere dansvloer leeg

Het aantal discotheken in Nederland neemt gestaag af.

Jongeren zijn verwend. Er is altijd wel ergens een feest of festival. Waarom zouden ze nog naar de discotheek gaan?

Het is zaterdagavond. Rond een uur of elf doet Piet de Poel, eigenaar van Club Q in het Friese Noord-Bergum, zijn zware voordeur open. Niet voor zijn eerste gasten, al heeft hij wel net de muziek aangezet. Het is de caissière die aan haar werkavond begint. Vijf minuten later gaat de deurbel opnieuw. De portier van dienst. Officieel opent Club Q al om 21.00 uur zijn deuren, maar veel dansvolk verwacht De Poel niet, vanavond. „Ik heb deze zomer al opgegeven, eigenlijk.”

Club Q liep goed, vertelt Piet de Poel. Als een tierelier zelfs; steeds meer concurrenten sloten hun deuren en al hun klanten wisten zijn club te vinden. Tot het weekend van 17 en 18 april. Die zaterdagavond waren er twee geweldsincidenten in de discotheek. Eén jongen raakte zwaargewond, een ander overleed op de zondagmorgen aan zijn verwondingen.

De dood van de zestienjarige jongen noemt Piet de Poel er de „kunstmatige” oorzaak van dat het nu zo rustig is in zijn discotheek. „Dat weekend heeft zo’n enorme impact gehad, op iedereen.” De incidenten waren voor hem reden om de verbouwing die hij toch al van plan was, naar voren te halen. Op de tweede zaterdag in september gaat zijn nieuwe, verbouwde zaal open, met een grootse aftrap. „Dan willen we een frisse, nieuwe start maken.”

Over die zaterdag de elfde maakt De Poel zich geen zorgen, dat wordt hoe dan ook een feest. Maar hij vraagt zich wel af of het lukt om de tent daarna op gang te houden, want een discotheek winst laten maken is de laatste jaren niet gemakkelijk. Er passen minstens duizend man in zijn club. Alleen, het is tegenwoordig niet langer de vraag hoeveel jongeren je kwijt kunt, maar hoeveel je er kríjgen kunt, vertelt De Poel. „De ene na de andere zaak moet ermee ophouden. Ik wilde dat mijn concurrenten nu bomvol zaten, dan wist ik waar ik de doelgroep kon bereiken.”

Het aantal discotheken in Nederland neemt gestaag af, dat blijkt ook al jaren uit cijfers. Telde Nederland in 2001 nog 400 discotheken, nu zijn het er nog maar 271, maakte het Bedrijfschap Horeca onlangs bekend. En dit jaar is er iets veranderd, zegt Piet de Poel. „De grote jongens moeten nu stoppen. Ook degenen die wel innoveerden en steeds nieuwe dingen bedachten.” Het lijstje van clubs die in 2010 hun deuren sloten, is nu al zeker dertig namen lang: van Alcazar in Puttershoek en Zenith in Venray tot Podium in Hardenberg. „Dat ook zij dicht moeten, zegt wel iets.”

Tot dit jaar waren het vooral kleinere dorpsdiscotheken die het hoofd niet meer boven water hielden, bevestigt Guido Verschoor van horeca-adviesbureau Van Spronsen & Partners. „De economische crisis lijkt ervoor te zorgen dat ook de grotere clubs in de regio nu gaan omvallen”, zegt Verschoor. „Zij hadden de afgelopen jaren nog wel wat vet op de botten, maar dat begint op te raken.”

Jongeren geven kennelijk minder uit door de economische crisis, en ook het rookverbod heeft de omzet in clubs doen dalen, zegt Verschoor. Maar de belangrijkste reden dat de discothekenbranche zo’n vechtersmarkt is geworden, is dat discotheken er allerlei concurrenten bij hebben gekregen. Het aanbod van eendaagse en meerdaagse festivals, dansfeesten, dorpsfeesten en tentfeesten met bekende artiesten is enorm; elk weekend is er iets anders te beleven om je geld aan uit te geven.

De steeds grootschaliger evenementen, vaak met grote lichtshows en bekende artiesten, hebben jongeren verwend gemaakt. Of zoals Verschoor het schetst: ze hebben geen zin meer om week in, week uit op dezelfde donkere dansvloer te staan, met week in, week uit dezelfde plaatselijke dj met week in, week uit dezelfde hitjes. Bovendien zijn jongeren mobieler dan een paar jaar geleden. Verschoor: „Ze blijven niet meer in het dorp, maar stappen gemakkelijk in de auto en rijden met een groepje naar Duitsland of naar een andere grotere club, verder weg.”

Blijft de gangbare regionale discotheek, zo eentje met twee of drie zalen waar verschillende muziekgenres worden gedraaid, wel bestaan? Verschoor ziet voorlopig geen einde aan de dalende trend. „Waar het eindigt, daar hebben we geen idee van.” Hun advies aan uitbaters luidt dan ook al jaren om hun pand goed te gebruiken, en te proberen om andere inkomsten te krijgen dan alleen die van de vrijdag- en zaterdagavond. „De ruimtes zijn vaak geschikt voor personeelsfeesten en bruiloften, en soms zelfs voor kinderopvang overdag.”

Piet de Poel van Club Q denkt dat er uiteindelijk maximaal een stuk of honderd grote discotheken overblijven in Nederland. Waar het van afhangt welke er blijven? Hij wijst naar het gedeelte van zijn dansvloer dat al is verbouwd. Kroonluchters en een chique, houten bar. „Je moet bijblijven, weten wat hip is.” Een ‘stom’ voorbeeldje: zijn club was de eerste Friese discotheek waar je een broodje döner kebab kon krijgen, terwijl dat in de Randstad al jaren een normale snack was. Nog zoiets: met een taxibedrijf regelt De Poel gratis groepsvervoer naar zijn club – een kaartje terug kost dan vijf euro per persoon. En een paar weken geleden verlootte Club Q een iPad, terwijl die nog niet eens in Nederland te krijgen was. „Dat regel ik dan later wel.”

Een laatste opmerking van adviseur Verschoor over een opvallende ontwikkeling: online kun je als club echt niet meer ontbreken. Jongeren hebben het meeste contact met elkaar via Facebook, Hyves en MSN. Via die netwerken bepalen ze ook wat hip is en waar ze dus volgend weekend heen gaan. Ook Club Q heeft een nieuwsbrief – alle 3.000 leden krijgen gratis entree, die tweede zaterdag in september. Al blijft ook het schoolplein van groot belang, denkt De Poel: „Daarom moet de school eerst twee weken open zijn, voordat wij ons aftrapfeest kunnen geven. De kids moeten de gelegenheid krijgen om erover te praten. Er moet een buzz zijn.”

Club Judge keurt uitgaansgelegenheden: betribes.com