Niet meer dan één land per dag

Stilzitten lukt de Britse band Mumford & Sons niet meer.

Morgen staat de band op Lowlands, in de Alpha-tent. Capaciteit: 15.000 man.

Winston Marshall kreeg laatst een e-mail van een vriend uit Londen. De braaf studerende jongen wilde weten hoe dat nou is, de wereld rondtoeren en avond aan avond voor uitverkochte zalen spelen. Marshall schreef terug dat het spannende leven on the road die voorbije dag vooral was neergekomen op uren tevergeefs zoeken naar de oorzaak van de vreselijke stank in de tourbus. „Ik geloof dat ik zijn illusie dat toeren een soort romantische reis naar het grote onbekende is, in één klap verpulverd heb. Het enige wat onbekend is tijdens een tour, is de oorzaak van stank.”

De banjospeler van Mumford & Sons kan er gelukkig om lachen. Toeren is vrijwel het enige dat de band uit Londen de afgelopen tijd heeft gedaan en nog tot zeker eind dit jaar zal blijven doen. 2010 begon met een Europese tour, toen volgde een Amerikaanse, daarna begon het huidige festivalseizoen en na de zomer is wederom een Europese tournee gepland. Een tweede trip over het Europese vasteland, maar dan een met een iets grotere omvang. Stonden Mumford & Sons in april nog in Tivoli (1.000 man), in september mogen ze het in de Amsterdamse HMH (5.500 man) proberen.

Ook op de meeste festivals speelt de band op de grotere podia. Op Lowlands staat Mumford & Sons in de Alpha, de grootste tent van het festival met een capaciteit van 15.000. Een vooruitzicht dat ze zelf een paar maanden van te voren nog aardig overweldigend vinden. Vooral omdat het zo snel is: vorig jaar rond deze tijd was hun debuutalbum Sigh no More nog niet eens uit en had de band nog nooit een show buiten Groot-Brittannië gespeeld.

Maar er al te veel bij stilstaan, is volgens toetsenist Ben Lovett geen optie. „Het zou ons enkel blokkeren.” Hoe doe je dat, niet stilstaan bij het grote succes dat je hebt? „Gewoon, door de ene avond in Utrecht te spelen de dag daarna in Brussel, dan in Bologna en Rome en dan een weekje de was te gaan doen in Londen. Van dag tot dag. Iedere keer kleine stapjes nemen.” Hij lacht. „Niet meer dan één land per dag.”

Mumford & Sons ontstaat in december 2007. Zanger en gitarist Marcus Mumford en toetsenist Lovett kennen elkaar van school. De andere twee ontmoet Mumford via de muziekscene in Londen. Met banjospeler Marshall zit hij ooit één week in een bandje – al wisselen ze in die week geen woord met elkaar. En met bassist Ted Dwane speelt Mumford een tijdje in de begeleidingsband van een kennis.

Het is een muziekscene waar ook Laura Marling en Noah and the Whale uit zijn voortgekomen en die door de Britse media graag ‘new folk’ wordt genoemd. Een woord waar Marcus Mumford allergisch voor is. Want wat is new folk in godsnaam? Maakte Bob Dylan veertig jaar geleden al niet ‘nieuwe’ folkmuziek? Is er überhaupt iets nieuws aan wat ze doen? „Mensen vertellen elkaar al duizenden jaren verhalen via muziek. Het enige nieuwe aan ons is dat wíj nieuw zijn.” Ook het bestaan van een Londense muziekscene wordt door de band in twijfel getrokken. Bassist Dwane: „Een ‘scene’ klinkt alsof het om iets geheims gaat. Plekken waar je enkel binnen mag als je het juiste wachtwoord weet. Maar zo romantisch was het niet toen we begonnen. Het waren gewoon een hoop jonge mensen, net klaar met school, die twijfelden tussen een carrière in de muziek of naar de universiteit gaan. Mensen die samen muziek maakten en elkaar op een gezonde manier beconcurreerden. Een omgeving waarin wij de mazzel hadden elkaar tegen te komen.”

De eerste twee maanden van hun bestaan is Mumford & Sons de begeleidingsband van Marcus Mumford. Mumford: „Maar al snel bleek dat het om vier mensen gaat. Dat we een band zijn. Als een van ons vier er niet bij was geweest, was het een compleet ander verhaal geworden.”

Alles aan Mumford & Sons is dan ook, zoals de bandleden het zelf noemen, een ‘happy accident’. Dat ze met elkaar in een band terechtgekomen zijn. Dwane: „De juiste mensen vinden om mee te spelen, is de grootste uitdaging.” De instrumenten die ze in de band bespelen. Dwane: „Marcus is eigenlijk drummer en ik heb de contrabas opgepakt omdat Ben zo’n goede jazzpianist is dat hij me daartoe inspireerde.” En de sound die ze maken.

Mumford: „Op het moment dat onze wegen elkaar kruisten, hadden we allemaal onze eigen muzikale achtergrond. Ben en ik luisterden op school veel naar jazz, Ted is opgegroeid met bluesmuziek en Winston heet niet voor niets ‘Country Winston’. Welke muziek we samen wilden maken, wisten we niet. Het enige wat we wisten, is dat we onze stemmen mooi samen vonden gaan. En dat we blij werden van de combinatie banjo, contrabas en piano. Daarna zijn we gewoon geluid gaan maken.”

Een geluid dat vervolgens verder uitgekristalliseerd is op het podium. Maanden speelden ze, overal waar ze maar gewenst waren, voor ze überhaupt een studio van binnen zagen. Het debuutalbum bestaat daarom uit nummers die, op één na, op het podium zijn getoetst en gevormd.

Hetzelfde zal opgaan voor het tweede album dat ze eind dit jaar gaan opnemen. Cd’s zijn volgens de Londenaren vooral ‘advertenties voor de liveshows’. Want daar gaat het om: samen live spelen. Daarom kan de tour, hoe zwaar soms ook, de leden van Mumford & Sons niet lang genoeg duren. Lovett: „Op papier kan het tourschema er wat overweldigend uitzien. Maar op papier zie je ook enkel de namen van de steden, niet het plezier dat zo’n stad brengt.” Mumford: „Zoals de appelbollen die ik in Utrecht kreeg voorgeschoteld.”

Marshall: „Toeren is een hele andere ervaring dan gewoon reizen. Omdat je ergens optreedt, kom je echt met mensen in contact. Jij geeft, dus willen zij iets teruggeven. Zo zijn we al op de leukste plekken beland.”

Vandaar dat de jongens tegenwoordig zodra ze een paar dagen niet onderweg zijn, last krijgen van wat ze zelf omgedoopt hebben tot de ‘post-tour blues’. Marshall: „En die is zwaar... Ik kan tegenwoordig niet langer dan drie dagen in één stad zijn. Toen we laatst een weekje vrij hadden ben ik maar naar Brighton gegaan. Stilzitten lukt niet meer.”