Lessen in melancholie

Zo’n laatste zaterdag. De bedden zijn al afgehaald, de koffers liggen met open mond op bagage te wachten. Straks ontbijten, auto inladen, beheerder halen voor inspectie van het huisje, en dan het dorp uit, de snelweg op, terug naar huis. Maar nu eerst nog een rondje met de hond.

Ik was jong, Iris was jong, de kinderen waren jong en de hond was een Ierse setter. Eind jaren 70 gingen we vier, vijf keer achter elkaar op vakantie in een vriendelijk dorpje in Beieren. Ik kom graag op een plek waar ik al geweest ben. Ik ken liever één plek goed dan twee plekken half.

Het schrijven over de natuur was nog maar net begonnen. Als vogelaar stond ik nog in de kinderschoenen. Vakantie, dus een ideale leertijd. Met het krieken van de dag naar buiten, het veld in, het bos in, langs hellingen en waterlopen, urenlang in touw en volmaakt tevreden met dat ene scheldende winterkoninkje – met wel vijf jonkies in de buurt.

Hoewel, volmaakt tevreden? Nu ik erover nadenk, herinner ik me ook weer hoe frustrerend deze hobby kon zijn. Het gevoel dat je toch dat andere pad had moeten nemen, dat je ergens toch nog even had moeten wachten. Het gevoel dat elke overvliegende houtduif een slechtvalk kon zijn (of hád kunnen zijn). Het gevoel dat het áchter je gebeurt (ook als je je omdraait). Slopend!

Maar toch. In mijn Petersons noteerde ik eerste waarnemingen met datum en plaats. Ik hoef deze aantekeningen maar na te lopen om mijzelf daarginds terug te vinden.

Bij sijs zou ik op de kaart het pad, en in het landschap de boom nog kunnen aanwijzen waar ze zaten: mannetje, vrouwtje, zo’n fragiel voorjaarskoppel.

Goudvink, goudhaantje én vuurgoudhaantje, zwarte roodstaart natuurlijk, grauwe vliegenvanger, paapje, waterspreeuw, grote gele kwikstaart, alpenkauw, notenkraker en jawel, slechtvalk! (10/4/’80, Grüntensee.)

En op de Sorgschrofen (waar anders) hebben we een keer een raaf zien baltsen of vechten of spelen met een zweefvliegtuig. „Ruim boven de 1600 m.” staat daarbij genoteerd. Blijkbaar was dat iets bijzonders; bergwandelen moesten we ook nog leren.

Zo’n laatste zaterdag. Met Bello nog één keer naar onze favoriete uitkijkpost. Nog één keer de aanblik van dat inmiddels geheel met betekenissen bedekte landschap. Aan de ene kant de eerste Alpenkammen, waarvan je je het profiel probeert in te prenten voor thuis. Aan de andere kant het golvende voorland. Daar ergens kondigt een verborgen treintje uitbundig claxonnerend zijn passage aan – altijd tegen achten. Het geratel van de wielen op het spoor zwelt nu eens aan, zwakt dan weer af – altijd hetzelfde patroon. En zoals dat treintje, zo ging ook de tijd voorbij – nergens iets om je aan vast te klampen.

Afscheid van een plek waaraan je gehecht bent geraakt. Het deed pijn, maar het was een mooie pijn, een gewilde pijn – ongeveer zoals je de pijn van een verdrietig stuk muziek kunt willen. Het was, zeg ik achteraf, ook nog maar een oefening.