Ironie mag, maar moet wel herkenbaar zijn

Het is de vraag of Brussen ermee wegkomt dat zijn blog ironisch is bedoeld. Ook de niet-reguliere bezoekers moeten dat begrijpen, meent

Gerard Schuijt.

De journalist Bert Brussen heeft een doodsbedreiging jegens Geert Wilders op zijn weblog geplaatst. De tekst was niet van hemzelf maar van een twitteraar. Het Openbaar Ministerie heeft hem verzocht de tekst van zijn blog te verwijderen en hij is door de politie verhoord.

Of het tot vervolging komt, is niet zeker. Brussen beroept zich op de vrijheid van meningsuiting, vooral op de context waarin zijn bericht is geplaatst. Het OM snapt volgens hem niet dat de kop boven het artikel ironisch is bedoeld.

Dat een journalist gevraagd wordt op het politiebureau te komen om wat vragen te beantwoorden, is nog geen aanslag op de persvrijheid. Een journalist van zijn bed lichten en enkele dagen vastzetten is al heel wat bedreigender. In het eerste geval is er een gering chilling effect op de vrijheid van meningsuiting, in het tweede geval is die al aanzienlijk.

Dat is waarnaar het Europese Hof voor de Rechten van de Mens kijkt bij elke maatregel tegen wie dan ook wegens een bepaalde uiting. Vervolging is uiteraard veel bedreigender en daar zal het OM rekening mee moeten houden.

Signaleren wat er in de wereld aan de hand is, is de eerste taak van journalisten, of het nu gaat om oude of nieuwe media. Dat dient in opperste vrijheid te kunnen geschieden. Niet voor niets is volgens ons eigen Wetboek van Strafrecht het berichten over racistische beledigingen en/of haatzaaiende uitingen niet strafbaar.

Bij citeren uit de mond van een geïnterviewde of uit een twitterbericht mag men een journalist niet ophangen aan de uitlatingen van zijn zegsman. Dat is al tien jaar geleden door het Europese Mensenrechtenhof gezegd. Een journalist moet zonder vrees voor vervolging de bouwstenen voor het publieke debat kunnen aandragen. Van belang hierbij kan zijn of de journalist voldoende afstand heeft betracht of dat hij zich de uitlatingen eigen heeft gemaakt. In dat laatste geval kan hij ook zelf ter verantwoording worden geroepen. Dat betekent overigens niet dat de journalist bij elke zinsnede met grote letters ‘Hier ben ik het niet mee eens’ moet laten horen. Het is voldoende als de afstand uit de context blijkt.

Waardeoordelen in het algemeen en ironie en satire in het bijzonder genieten grote vrijheid. Het staat eenieder vrij de vorm te kiezen die hij meent dat zijn boodschap het beste overbrengt. Ironie en satire zijn vormen van maatschappelijk commentaar. Ze kenmerken zich door overdrijving en uitvergroting en willen provoceren. Maar ook satire en ironie staan niet buiten de wet. Het satirische karakter moet uiteraard wel duidelijk zijn. Zeker in ernstige zaken als waar het hier om gaat, moet het er duimendik bovenop liggen. De oorspronkelijke, door Brussen geciteerde tweet, schijnt het ook al ironisch bedoeld te hebben wat Brussen zelf kennelijk niet begrepen heeft.

In Frankrijk werd een tekenaar veroordeeld voor een cartoon die hij publiceerde enkele dagen na 9/11. Volgens de tekenaar werd het Amerikaanse imperialisme aan de kaak gesteld. Volgens de Franse rechter zou de cartoon terrorisme verheerlijken. En de veroordeling was volgens het Europese Hof niet in strijd met de vrijheid van meningsuiting. Harry Mulisch kon de ironie in Reve’s racistische brieven niet waarderen. Hij schreef in een magistraal essay: de ironie leidt tot parodie, de parodie leidt tot identificatie. Het ironische van de ironie is, dat zij het plotseling niet meer is.

Uiteraard moet elke uitlating in haar context worden beoordeeld, ook door de rechter. Het publiek voor wie de uitlating bestemd is kan ook belangrijk zijn. Bij een cabaretier, een columnist, een satirisch tijdschrift of weblog weet het publiek wat voor vlees het in de kuip heeft.

Komt Brussen hiermee weg? Ik weet het niet. Hij heeft de doodsbedreiging nogal sec overgenomen en we moeten uit de kop ‘Wilders bedreigen doe je zo’ maar begrijpen dat het bedoeld is om te informeren of als ironie. Brussen beroept zich er op dat de bezoekers van ‘zijn’ blog weten dat het om satire gaat. Maar hij geeft toe dat het niet voor iedere niet-reguliere bezoeker van zijn blog direct duidelijk is. Dat noemt hij tekenend voor de vrije meningsuiting zoals die wordt uitgeoefend in een nieuw medium als internet.

Gewoonten en gebruiken op het internet zijn echter niet de norm als het gaat om de vraag waar de grenzen liggen van de vrijheid van meningsuiting. Die liggen voor internet niet anders dan voor pers en omroep. Het is dus, als het tot vervolging komt, aan Brussen om aan te tonen dat zijn publiek het opiniërende karakter herkent en het is aan het Openbaar Ministerie aan te tonen dat Brussens blog ook door niet-reguliere internetsurfers wordt aangedaan en dat die de boodschap anders hebben verstaan.

Gerard Schuijt is oud-hoogleraar mediarecht.