Hoedt u voor de christelijke zeloten

Echt nieuwe argumenten tegen het bestaan van God biedt ‘The God Delusion’ niet, maar invloedrijk is het wel.

Halverwege het eerste decennium van de 21ste eeuw verscheen een hele trits boeken die andermaal de lezer probeerden te overtuigen dat God niet bestaat. De Amerikaanse filosoof Daniel Dennett publiceerde Breaking the Spell; de Britse bioloog Richard Dawkins schreef The God Delusion; en in Nederland hadden we Herman Philipses Atheïstisch manifest. Van deze drie is The God Delusion ongetwijfeld het meest spraakmakend en invloedrijk geweest; er zijn ruim twee miljoen exemplaren verkocht.

Voegen die boeken iets toe aan de al bekende argumenten tegen God en religie? Niet echt, en Dawkins onderkent dat ook wel een beetje: hij herhaalt de argumenten van beroemde eerdere godsdienstcritici. Zo bouwt hij voort op de klassieke filosofische godsbewijzen die Bertrand Russell al had geformuleerd in zijn essay ‘Waarom ik geen christen ben’ uit 1927. Ook wijdt Dawkins een lang hoofdstuk aan de onhoudbaarheid van de ‘God-hypothese’ als verklaring van natuurverschijnselen. Maar dat is weinig meer dan een uitwerking van het beroemde antwoord van de Franse wiskundige Laplace op Napoleons vraag waarom God in zijn boek niet voorkwam: ‘Sire, die hypothese heb ik niet nodig’. Ook omschrijft Dawkins de God van het Oude Testament provocerend als jaloers, kleinzielig, onrechtvaardig, vrouwonvriendelijk, homofoob, racistisch, genocidaal et cetera.

Nieuwe generatie

Toch blijft de vraag: als atheïstische polemiek een herhaling van zetten is, waarom slaat ze dan nog steeds, of opnieuw, zo aan? Biedt ze slechts oude argumenten voor een nieuwe generatie, of is er meer aan de hand? Het antwoord lijkt voor de hand te liggen. De 21ste eeuw begon met een dramatische demonstratie van het gewelddadige potentieel van religieuze overtuigingen. De aanslagen van 11 september 2001 en de daaropvolgende oorlog tegen het islamitisch-fundamentalistische Talibaanregime in Afghanistan gaf velen het idee dat godsdienstoorlogen allerminst iets van het verre verleden zijn.

Maar Dawkins heeft het in The God Delusion eigenlijk helemaal niet over Bin Laden, en zelfs nauwelijks over het Talibaanregime. Hij richt zijn pijlen hier in de eerste plaats op rechts-christelijke groeperingen in de Verenigde Staten, die hij retorisch omschrijft als de ‘Amerikaanse Talibaan’. Terecht ziet hij in dergelijke christelijk-fundamentalistische zeloten een groter gevaar voor de Amerikaanse seculiere democratie dan in enige islamitische dreiging.

Je kunt je twijfels hebben bij zijn waarschuwing dat er een reële kans is dat deze groepen Amerika tot een christelijk-fundamentalistische theocratie zullen omvormen, maar de pogingen van Amerikaanse fundamentalisten om op scholen de evolutieleer te vervangen door het bijbelse scheppingsverhaal of door ‘creation science’, of de Amerikaanse grondwet door de Tien Geboden, zijn genoegzaam bekend. Dawkins’ lijst van voorbeelden van al te coulante behandeling van religieus fanatisme en van discriminatie van atheïsme in Amerika is onthutsend. Ze maakt duidelijk dat de insteek van zijn boek in laatste instantie politiek is: willen atheïsten een maatschappelijke rol krijgen die kan wedijveren met die van christelijke groeperingen, aldus Dawkins, dan moeten ze een effectieve politieke lobby opzetten. Niet voor niets besluit The God Delusion met een lijst van atheïstische organisaties en websites ‘voor mensen die steun behoeven bij het ontkomen aan religie’.

Die verdediging van het seculiere en pluralistische Amerika tegen christelijk fundamentalisme mag ondanks zijn gelijkhebberige en soms zelfgenoegzame toon lofwaardig zijn, toch blijft bij potentiële maar kritische medestanders de twijfel knagen. Want wat valt Dawkins nou precies aan? Religie in het algemeen, het monotheïstische godsbeeld, de theologische rechtvaardiging van dat beeld als een vorm van kennis, of de fundamentalistische uitwassen van de monotheïstische religies? Allemaal natuurlijk, maar hij maakt het zichzelf soms wel erg gemakkelijk door klakkeloos van het ene doelwit op het andere over te stappen.

Ook beperkt hij zich wat al te gemakkelijk tot de westerse monotheïstische tradities van jodendom, christendom en islam. In één zin doet hij boeddhisme en confucianisme af als geen echte religies. Algemener formuleert hij religie in termen van kennis en van – al dan niet redelijk – geloof in een schepper, en niet in termen van ritueel en ander handelen. Een door en door moderne visie, die beter past op het christendom, en vooral op de protestantse varianten, dan op de meeste andere religies. Of zijn boek het definitieve argument tegen religie in het algemeen geeft, valt dus ernstig te betwijfelen.

Het minst overtuigend is Dawkins in zijn pogingen om ontstaan en voortbestaan van religie te verklaren in darwinistische termen. Die leiden slechts tot banale suggestiesof tot ronduit twijfelachtige hypotheses over het voortbestaan van religie in termen van de reproductie van religieuze ‘memen’, een soort culturele equivalenten van genen.

Wat daarbij vooral opvalt, is het totaal ontbreken van enige verwijzing naar sociaal-wetenschappelijke studie van religie. Een van de weinige antropologen die Dawkins überhaupt noemt, is J.G. Frazer, en diens klassieke The Golden Bough (1890) heeft hij duidelijk niet gelezen. Sociale wetenschappers als Emile Durkheim en Max Weber, laat staan recentere auteurs als José Casanova en Talal Asad, schitteren door afwezigheid. Maar alles wijst erop dat taal, cultuur en religie, dus alle belangrijke verschijnselen van menselijke samenlevingen, complexe eigen wetten en principes kennen die niet klakkeloos kunnen worden herleid tot biologische processen.

Bruikbaarheid

Culturele of sociale verandering vang je niet in termen van de natuurlijke selectie van genen of memen. Als The God Delusion één ding weerspiegelt, dan is dat niet de opleving van religie of atheïsme, maar het hernieuwde geloof in de bruikbaarheid van evolutionaire perspectieven op culturele en maatschappelijke verschijnselen – van literatuur en religie tot voetbalvandalisme en schlagermuziek. Dat geloof gaat blijmoedig voorbij aan alle inzichten die de maatschappij- en geesteswetenschappen in de afgelopen eeuw bereikten. Dat stemt een mens nog somberder dan alle retoriek en zelfherhaling in de nimmer eindigende woordenwisseling tussen christenen en atheïsten.

Richard Dawkins: The God Delusion. Houghton Mifflin Harcourt, 406 blz. €13,-. Vertaling Hans E. van Riemsdijk: God als misvatting.Nieuw Amsterdam, 320 blz. €24,50