Het perfecte koloniale leven

Kunstenaar Joost Conijn gaat in een zelfgebouwd vliegtuig naar Oost-Afrika. „Blanken in Afrika zijn altijd blij een wit gezicht te zien.”

‘Waar staat je naam?” De soldaat bekijkt mijn paspoort. We staan in de schaduw van een boom. De zon staat hoog, de natuur zoemt. Hij bewaakt het vliegveld. De insecten belagen ons. Ik ben geland in Diffa, Oost-Niger. „Wat kom je hier doen?” „Benzine”, antwoord ik.

Hij trekt zijn glimmend verweerde legerschoenen uit en wast zijn voeten. „Eerst bidden”, zegt hij en knielt neer op de grond.

De lege jerrycans gaan mee achterop de brommer. De Nigerezen op onze weg zien er mooi uit in hun diepblauwe gewaden op hun kamelen, vergezeld door hun met glimmende sieraden getooide vrouwen te paard. Het landschap is groen en aarderood, met af en toe een boom die zich moeizaam omhoog kronkelt.

Bij de posten groeten we de militairen en houden een praatje. Ze hebben me gezien in de lucht.

We rijden over modderige straten de lemen stad binnen. Er is geen verkeer. De stad bidt. Schouder aan schouder in rijen knielen de mensen overal op de stoepen, op speciaal hiervoor uitgerolde tapijten.

Bij het enige benzinestation in de stad en wijde omgeving blijkt de super op te zijn. „Misschien komt er morgen weer brandstof, Insha’Allah. Maar tank niet uit de flesjes die ze langs de straat verkopen want daar zit veel zand in”, waarschuwen de pompbediendes.

In het donker rijden we terug. Brulkikkers in de plassen en de krekels in de bomen maken een oorverdovend lawaai, ik houd mijn handen op mijn oren.

Vannacht slapen de militair en ik buiten naast het vliegtuig bij de verlaten landingsbaan. Mijn zaklamp is een magneet voor zwermen harige insecten, snel doe ik hem weer uit en maak mijn bed op de tast gereed.

’s Ochtends wordt de sfeer grimmig. De soldaat wil geld, anders laat hij me niet vertrekken. „Waarvoor”, vraag ik. „For your security”, antwoordt hij.

Wanneer ik opstijg ben ik weer bevrijd van alle sores en glijdt de wereld urenlang probleemloos onder me door. Beneden staan grote delen van het land onder water. Het meer van Tsjaad is uitgedroogd.

De lucht is vochtig als de oceaan. Donkere kwallige wolken storten hun tentakels naar beneden. Wanneer ze je grijpen zuigen ze je met grote snelheid kilometers omhoog en je vleugels breken af als luciferhoutjes.

Over het vlakke en uitgestrekte Nigeria en Kameroen verlaat ik Niger. Hier moet je niet de weg kwijtraken, er is niet veel om op te navigeren.

„Wat is je positie”, vraagt de traffic controller. Hij waarschuwt voor twee Mirages op Long final. Ze komen met meer dan 1.000 km/per uur mijn kant op. Ploeterend tegen de wind in, krijg ik het vliegveld van N’Djamena, de hoofdstad van Tsjaad, in zicht. „Short final”, antwoord ik de controller, vlieg een wingspan-hoogte over de lange baan en land juist voor de taxiafslag van het platform. „OK-NUL runway vacated”, roep ik over de radio. De fighters van het Tsjaadse leger landen net achter me.

Vermoeid stap ik uit. Ik zie op tegen mijn tocht naar het bureau du piste en de douane, geef mezelf wat uitstel en hang wat rond op het vliegveld.

Ik koop een gebraden kip met rijst en krijg het eten aangereikt in een bruine enveloppe. Plastic zakjes zijn verboden bij de wet, vertelt de verkoper. Tsjaad lijkt me een modern land.

Een Antonov-passagiersvliegtuig staat in de blubber vastgezogen naast de baan, een flank is zwart geblakerd, de motor is in brand gevlogen. Met een tank hebben ze hem weer proberen los te trekken. De aluminium romp is als een papiertje gekreukeld.

Het laatste model SUV van een duur Duits automerk schommelt stapvoets over de onverharde weg in mijn richting. Hij stopt, raampje zoemt open. „Puis-je vous aider?” vraagt de gesoigneerde Franse bestuurder van middelbare leeftijd (type: directeur). Blanken in Afrika zijn altijd blij een wit gezicht te zien. Ik vertel hem dat ik uit Nederland kom gevlogen met een klein vliegtuigje en niet in het bezit ben van een landingautorisatie en visum.

„Entre”, zegt hij en we verlaten het vliegveld. De militair aan het hek salueert. „Tsjaad is een gemoedelijk land”, vertelt hij geruststellend. „Het is rustig nu. Twee jaar geleden was het nog oorlog, Soedan rolde met tanks N’Djamena binnen en we moesten met al onze vliegtuigen vluchten naar Kameroen. Tsjaad heeft nu beloofd de Soedanese rebellen geen onderdak meer te bieden in Oost-Tsjaad.”

„Vlieg je ook grote vliegtuigen”, vraagt de man, „mijn company vliegt de regering rond.” „Alleen kleine”, antwoord ik.

De Directeur brengt me naar een huis.

Twee Russische piloten staan in een groot betegeld vertrek met ontbloot bovenlijf, eentje met bierbuik en tatoeage, de ander jong en knap. „Moet je wat hebben”, vragen ze, „eten, water, toiletpapier?” Ze wijzen me een grote kamer, met airco, de ventilatoren aan het plafond draaien. „Wanneer je een vriendin wilt meenemen”, en ze wijzen naar het riante bed. „The women are beautiful in Tsjaad.”

We eten in het restaurant London-Paris. De ingang bereiken we door de modderige straten, we springen van eilandje naar eilandje, de portier begeleidt ons met een zaklampje. Het is een groot terras met parasols, de temperatuur is aangenaam. Het ziet wit van de Europeanen; welzijnswerkers en aannemers. Mannen die maanden van huis zijn. Mooie zwarte meisjes serveren. We eten salade landaise met vis en ganzenlever.

Zo moet het perfecte koloniale leven gevoeld hebben.