Het komt allemaal goed

Sinds hij in 1995 naar New York verhuisde, belt Arnon Grunberg elke dag met zijn moeder. Van de winter liet ze weten dat het slecht met haar ging. „Ik ga niet naar een verpleeginrichting”, riep ze. Een verslag van haar ziekbed.

Somerset Maugham zei dat de schrijver niet moet wachten tot de ervaring naar hem toekomt, hij moet eropuit gaan om haar te zoeken.

Zeker vanaf de zomer van 2006, toen ik voor de eerste keer met het Nederlandse leger naar Afghanistan reisde, heb ik actief naar de ervaring gezocht. Mijn werkzaamheden als kamermeisje in Beieren, masseur in Roemenië en steward in een Zwitserse restauratiewagen maakten deel uit van die zoektocht.

Maar soms stuit de schrijver op een ervaring die hij nooit heeft gezocht.

Mijn moeder is in 1927 in Berlijn geboren. Sinds de dood van mijn vader, nu bijna twintig jaar geleden, woont zij alleen in het huis in Amsterdam-Zuid waar ook ik van mijn elfde tot mijn negentiende heb gewoond.

Mijn zus, die acht jaar ouder is dan ik, heeft in 1982 Nederland verlaten om zich in Israël te vestigen, waar zij nog religieuzer en zionistischer is geworden dan zij voor die tijd al was. Zij ging wonen in een nederzetting op de Westelijke Jordaanoever en leed er aan geldgebrek: een spirituele zoektocht mag wat kosten. Inmiddels heeft ze zeven kinderen en een veeleisende man. In september dreigt ze grootmoeder te worden.

Zelf woon ik sinds 1995 niet meer in Nederland, ik verhuisde naar New York. Een paar jaar na mijn vertrek uit Amsterdam ontwikkelde ik de gewoonte om mijn moeder een tot twee keer per dag te bellen. De meeste van mijn vriendinnen hadden zich neergelegd bij dit ritueel en zij hadden er ook begrip voor dat mijn moeder soms nog een derde keer belde, vaak op een onmogelijke tijd, want in haar leven waren veel situaties die zij meende te moeten omschrijven als ‘noodsituatie’.

Lang duurden de telefoongesprekken nooit, maximaal een kwartier. Wel vonden mijn telefoontjes op vaste tijden plaats. Zoals moslims op vaste tijden tot Allah bidden, zo belde ik op vaste tijden met mijn moeder.

Soms kostte het mij moeite om me te concentreren op mijn moeders verhalen. Zij hield nauwkeurig bij wanneer de buurvrouw ging bridgen, wanneer ze weer thuiskwam en een keer vertelde ze me met lichte verontwaardiging dat de buurvrouw de tuinman uit eten had genomen.

Hoe kil dit ook mag klinken, de buurvrouw had niet mijn grootste interesse, maar een gebed zal door een gelovige de ene dag ook met iets meer overtuiging worden uitgesproken dan de andere.

Zelf vertelde ik zelden iets in die telefoongesprekken. In de eerste plaats omdat ik die behoefte niet voelde, maar ook omdat ik wist dat mijn moeder snel geëmotioneerd kon raken door schijnbaar onbenullige details. Mensen liegen en verzwijgen dingen niet alleen om zichzelf te beschermen, maar vaak ook om de ander te beschermen.

Vrienden die mij vroegen waarom ik mijn moeder zo vaak belde, antwoordde ik: „Ze is afhankelijk van me.”

Een vriend zei: „Misschien ben jij afhankelijk van je moeder.”

Het zou kunnen dat ik, zoals wel meer mensen, niet in de wieg was gelegd voor ware vrijheid. Zoals sommigen zich onderschikt maken aan een ideologie of organisatie, zo had ik mij – tot op zekere hoogte – ondergeschikt gemaakt aan mijn moeder.

Van de winter toen ik met mijn vriendin op Key West was, liet mijn moeder weten dat het slecht met haar ging. Ik besteedde daar niet veel aandacht aan, want zolang ik haar ken, is het nooit goed met haar gegaan. De ellende kwam hooguit in diverse gradaties.

Maar haar stem aan de telefoon werd steeds zwakker, tot er op een gegeven moment alleen nog een hees gefluister uitkwam. Op mijn vraag: „Eet je wel goed?”, antwoordde ze: „Ik kan niet.”

Toen ik vroeg waarom ze niet kon, luidde het antwoord: „De voorraden raken op.”

Ik besloot een van mijn exen, een goede vriendin, te vragen om eens bij mijn moeder langs te gaan met wat fruit of groente. Voorraden kunnen altijd worden aangevuld. Volgens die vriendin zag mijn moeder eruit als een kluizenaar die al twintig jaar geen mens meer heeft gezien. Ze had diverse sjaals om zich heen gewikkeld, daaronder had ze een jack aan dat ikzelf nog op mijn veertiende had gedragen.

Ze had het fruit en de groente uit de handen van de ex gerukt en voor ze de deur weer sloot, fluisterde ze: „Ik kan nu even niemand ontvangen.”

Enkele dagen na deze gebeurtenis was mijn moeder telefonisch niet bereikbaar. Ik was ervan overtuigd dat zij dood in haar huis lag, belde de ex en zei: „Ik heb een merkwaardig verzoek. Ik denk dat mijn moeder thuis dood ligt. Zou je eens kunnen gaan kijken? De buurvrouw heeft de sleutel.”

Ook onder dergelijke omstandigheden blijkt de mens praktisch te zijn aangelegd. Ik zou kort daarop naar Turkije en Irak reizen en een van mijn eerste gedachten was: „Had ze niet op een ander moment kunnen doodgaan?”

Terwijl de ex naar het huis van mijn moeder reed, ging ik in New York lunchen. Het is mijn diepe overtuiging dat je onder alle denkbare omstandigheden je dagelijkse rituelen zo goed als mogelijk moet voortzetten. Ik zou liegen als ik zou zeggen dat ik niet in paniek was. Maar hoe groter de paniek, hoe belangrijker het ritueel.

Terwijl ik mijn espresso dronk in het restaurant waar ik vaak lunch, belde de ex: „Ik sta voor het huis van je moeder. Zal ik naar binnen gaan?”

„Ga naar binnen”, antwoordde ik.

Vijf minuten later belde ze weer.

„Ik heb het hele huis doorzocht, maar ik kan je moeder nergens vinden.”

„Dat kan niet”, zei ik.

„Misschien ligt ze in de tuin”, zei mijn ex. „Zou ze van het balkon kunnen zijn gesprongen?”

„Dat vind ik niets voor mijn moeder, maar ze zou natuurlijk wel kunnen zijn gevallen.”

Mijn ex ging in de tuin kijken en in de schuur, maar ook daar lag mijn moeder niet.

„Ze is in rook opgelost”, zei mijn ex.

Of mijn moeder dood was, wist ik niet zeker, ze was in elk geval spoorloos.

Een paar uur later werd het raadsel opgelost. Het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam belde mij op. Mijn moeder lag op de hartbewaking. Ze had haar notitieboekje niet bij zich en kende mijn nummer niet uit haar hoofd.

Ze klonk bijzonder monter.

„Er is hier een heel aardige broeder”, zei ze toen ik haar aan de telefoon had. „Ik vertelde hem dat ik Auschwitz heb overleefd en toen zei hij: ‘Nou, dan zult u de hartbewaking ook wel overleven.’ ”

Ikzelf was daar minder van overtuigd. Dat je als puber een concentratiekamp overleeft, betekent nog niet dat je als bejaarde de hartbewaking kunt overleven.

Een dag later vloog ik naar Amsterdam. Mijn moeder lag inmiddels niet meer op de hartbewaking, maar op de afdeling cardiologie.

Het eerste wat ze zei toen ik binnenkwam, was: „Er gebeurt hier niets met mij. Niemand bekommert zich om mij. Op de hartbewaking werd ik tenminste bewaakt. Maar hier kijkt geen hond naar mij om.”

Een arts vertelde mij dat mijn moeder een hartklep had die het niet meer zo goed deed, ze zou geopereerd moeten worden. Maar mijn moeder, die ervan overtuigd was dat ze een operatie niet zou overleven, zei: „Ik ga eerst maar eens naar huis. Opereren kan altijd nog.”

Tien dagen nadat ze was opgenomen mocht ze naar huis. Ze zou om te beginnen beter begeleid worden. In dit proces van betere begeleiding werden merkwaardige ontdekkingen gedaan. Zo had mijn moeder een groot gedeelte van de winter geleefd op crackers, 25 verschillende soorten homeopathische medicijnen, thee en aloë verasap, die ze in grote hoeveelheden dronk omdat aloë vera een wondermiddel zou zijn. Vanwege haar angst voor doktoren en de dood – voor mijn moeder was het verschil tussen de dood en het ziekenhuis minimaal – had ze haar heil gezocht bij de homeopathie, met het fanatisme van een jonge krijger. Op mijn vraag of ze wel eens een homeopaat had bezocht, antwoordde ze: „Nee, dat koop ik allemaal zelf in het reformhuis.”

Het ziekenhuis had geregeld dat via thuiszorg een verpleegster een paar keer per week naar mijn moeder zou gaan en ook zou controleren of alles goed ging met haar medicijnen. Ze moest plastabletten slikken en een psychiater in het ziekenhuis had haar een medicijn tegen angst voorgeschreven. Mijn moeder had haar hele leven maar één meester gekend, de angst; sinds ze op de hartbewaking had gelegen was het ontzag voor haar meester vertienvoudigd.

Slechts een middag heeft de verpleegster het bij mijn moeder uitgehouden. Daarna belde mijn moeder me op en ze zei: „Ik wil haar niet. Om te beginnen heb ik geen verpleegster nodig en verder is ze veel te duur.”

„Maar dat betaalt de verzekering”, wierp ik tegen.

„Dat kan me niets schelen. Dat kreng is veel te duur.”

De verpleegster is niet meer teruggekomen. Mijn moeder bleef achter met een meisje dat licht huishoudelijke taken verrichtte en vaker niet kwam dan wel en een man die in het Israëlische leger had gezeten, die zich had toegelegd op reiki.

„Hij geeft me energie met zijn handen”, legde mijn moeder uit. „Maar soms raakt hij ook mijn borsten aan.”

„Vind je dat vervelend?” vroeg ik.

„Kan me niets schelen”, antwoordde mijn moeder.

In april deed zich een nieuw probleem voor. Mijn moeder bleek een verzakking te hebben. Haar baarmoeder hing eruit. Mijn telefoongesprekken met haar gingen nu vooral over haar baarmoeder.

„Ik heb vanochtend gemeten”, zei ze, „hij hangt er vijf centimeter uit.”

En een week later zei ze: „Ik heb weer gemeten. Het is nu zeven centimeter.”

„Moet je niet naar een gynaecoloog?” vroeg ik.

„Ik weet precies wat die zegt”, antwoordde ze. „Dat ik geopereerd moet worden, maar omdat ik het aan mijn hart heb, kan ik niet geopereerd worden. Je begrijpt me ook nooit.”

In juni begon mijn moeder over diarree te klagen. Ze ging met de man die reiki doet naar de huisarts en hij zei dat ze aansterkende drankjes moest drinken, die zij zo vies vond dat ze al misselijk werd als ze eraan dacht.

In juli ging ik zelf weer naar Amsterdam.

Op een middag trof ik mijn moeder rillend in bed aan. Om de vijf minuten rende ze naar de wc. Rennen is eigenlijk niet het goede woord, het was kruipen en strompelen. Ze had geen moeite meer genomen om kleren aan te trekken. Voor het eerst sinds jaren zag ik mijn moeder naakt. Haar hele baarmoeder hing er inderdaad uit. Ik had het idee dat ik niet mijn moeder zag, maar een aap, een doodzieke aap.

Op het toilet lag een mesje waarmee ze kennelijk de vuiligheid uit haar onderbroeken schraapte.

„Je moet naar het ziekenhuis”, zei ik. „Maar het komt goed.”

Met onvermoede krachten schreeuwde ze: „Houd toch op met onzin. Ik word er gek van.”

Mijn moeder werd opgenomen in het Slotervaartziekenhuis. Op de intensive care werd geconstateerd dat ze een verwaarloosde blaasontsteking had, die een bloedvergiftiging was geworden.

Drie dagen later verliet ze de intensive care, de ontsteking was onder controle, maar nog geen twee dagen daarna was ze terug op de intensive care. Het vocht dat was toegediend om de ontsteking te bestrijden kon door het hart niet worden afgevoerd en haar longen liepen vol met water. Ze dreigde te verdrinken.

Middenin de nacht werd ik gebeld of ik naar het ziekenhuis wilde komen om mijn moeder nog te spreken voordat ze onder narcose zou worden gebracht. Ze moest kunstmatig beademd worden.

Van spreken was geen sprake meer, maar mijn moeder kon wel horen wat er tegen haar werd gezegd.

„Het komt allemaal goed”, zei ik, want ik wist niets beters te zeggen.

Ruim een maand heeft mijn moeder in het ziekenhuis gelegen. Toen kreeg ze te horen dat ze naar een verpleeginrichting moest om verder te revalideren.

„Ik ga niet naar een verpleeginrichting”, riep ze. „Ik ken dat soort inrichtingen.”

Ik heb daarom maar een Filippijnse dame geregeld die bij mijn moeder is ingetrokken. Ze heeft nu 24 uur verzorging. Mijn moeder noemt de ‘verzorging’ ‘bewaking’. Ze wordt voortdurend bewaakt en dat vindt ze heel prettig. De dame kookt, masseert haar en wandelt met haar. Een wijkverpleegster geeft haar twee keer per dag een waslijst aan medicijnen.

’s Middags kom ik en dan blijf ik om mijn moeder gezelschap te houden als ze eet.

Ze is een opmerkelijke eter. De afgelopen jaren heeft ze op het soberste voedsel uit het reformhuis geleefd, maar in het ziekenhuis ontwikkelde zich een verslaving aan roomijs.

„Kijk, wat een lekkere kip de Filippijnse voor je heeft gemaakt”, zeg ik.

„Ik word al misselijk als ik ernaar kijk”, antwoordt mijn moeder.

„Maar in roomijs heb je zeker wel zin?”

„Ja, in een ijsje heb ik wel zin.”

„Je eet eerst die kip”, schreeuw ik dan. „Je kunt niet op ijs leven, anders word je weer ziek. En als je weer ziek wordt, dan bel je mijn zus maar. Dan trek ik mijn handen van je af.”

„Ik vraag toch alleen om een ijsje”, zegt mijn moeder.

Op zo’n moment weet ik dat ik kinderloos zal blijven. Als ik 83 ben, wens ik niet dat mijn kind tegen me schreeuwt dat ik mijn kip moet opeten. Ik wil dan alleen zijn met een vriendelijke dame uit de Filippijnen, bij voorkeur ergens in de Zwitserse bergen.