Geen easy rider

Volstrekt logisch vond ik het dat niemand van mijn vrienden of familie enthousiast reageerde toen ik zo’n acht maanden geleden aankondigde dat ik ging leren motorrijden. Levensgevaarlijk. Zonde van mijn geld. Stinkende, schetterende scheurijzers. Moest ik een lelijk pak aan en een nog lelijkere helm op. Had ik last van een midlife-crisis ofzo? Wilde ik zo’n vetklep worden die de benzinetank nodig had om zijn bierbuik te ondersteunen? Inderdaad, heel sneu allemaal.

Maar ik had geen midlife-crisis. Ik had een vriend met een motor, en die vond het vermoeiend om lange stukken op de snelweg te rijden. Dus dacht ik: handig als ik voorop ga en hij ook eens achterop kan zitten suffen. Daarbij komt: ik rijd al een half leven auto, heb de wildste stunts met paarden en pony’s uitgehaald – dus dat motorrijden leek me een makkie. In tien lessen zou ik dat rijbewijs op zak hebben. Vóór de Kerst. Wedden?

Ik bleek geen easy rider, maar een ‘trage leerling’, zoals dat eufemistisch heet. Ik zag mede-leeringen komen en gaan – zij slaagden met veel bravoure voor de drie onderdelen waaruit het motorrijbewijs bestaat. Ik niet. Op een druilerig parkeerterrein bij een bowlingbaan zakte ik op de precisiestop, de noodstop, de uitwijkoefening – en toen mocht de motor weer uit. „Je gaat het echt wel leren”, zei de niet onaardige CBR-examinator troostend. Maar ik dacht: wat doe ik op die motor, waarom kap ik er niet mee?

De eerste keer dat ik de weg opging in mijn eentje – de instructeur rijdt immers achter je en zit niet zoals in de auto met alle pedalen binnen bereik naast je –, raakte ik in paniek omdat het vizier van mijn helm besloeg en ik niet wist hoe het ding open moest. Bij het naderen van een rotonde vergat ik hoe ik moest remmen met het ‘achterremmetje erbij’, gladde putdeksels en witte strepen op de weg moest ontwijken en ondertussen de motor ook nog goed ‘afschuinde’ om lekker de bocht door te komen. Schakelen – hoe ging dat ook alweer? Bij het stoplicht (hèhè, even rust) stond ik consequent in z’n twee – en sloeg de motor na een kangoeroesprongetje af als ik optrok. Op de provinciale weg waar ik met tachtig kilometer per uur half van mijn motor werd geblazen, dacht ik: help, waar zit de gordel?

En dan heb ik het nog niet over de snelweg, waar het ‘defensief motorrijden’ vooral bestond uit het vrijwel consequent overschrijden van de maximum-snelheid. ‘Waarom ga je nou achter dat blik hangen?!’ schreeuwde de instructeur in mijn oor. ‘Gassen, gassen! Geef die motor op zijn donder, anders ga je op je plaat!’

Erg geruststellend was het allemaal niet, en ook niet bijzonder plezierig. Totdat ik op een dag inderdaad de gashendel op zijn verst opendraaide bij de oprit naar het Rottepolderplein en voelde hoe die Suzuki ging. Totdat ik op een dag merkte hoe grappig het was om bij het stoplicht al die slome automobilisten achter me te laten, omdat ik op mijn motor nu eenmaal licht ben en razendsnel. Totdat ik niet meer met het zweet in mijn handschoenen mijn been over het zadel zwaaide, de motor van zijn standaard haalde, de sleutel in het contact omdraaide en de motor aanzette. Integendeel: ik genoot van het donkere geneurie van de uitlaat, het soepel schakelen, het loom van de stoep afzwieren, en dan als een hazewindhond de weg op. Wat ik maar wilde: het zat allemaal in de handgrepen onder mijn vingers.

Nu heb ik het motorrijbewijs zo’n drie weken in mijn portemonnee en er gaat geen dag voorbij dat ik niet overvallen word door een onberedeneerbaar gevoel van geluk. Sinds de geboorte van mijn zoon dertien jaar geleden ben ik niet meer zo trots geweest op mezelf.

Die vriend is inmiddels verleden tijd. De Guzzi die hij had zal ik nooit lenen. Maar één ding weet ik zeker: mijn eigen motor komt er. Een Triumph, een Honda of een BMW. Het liefst volgende week al.