'Fi-lo-soof! Te schande maak je ons'

In zijn nieuwe, autobiografische roman moeten de Vlaamse ‘mosseleters’ het bij Dimitri Verhulst opnieuw ontgelden. Maar we hebben het over fictie – hoeveel ‘kelder’ de door hem beschreven feiten ook hebben.

Elsbeth Etty

Dimitri Verhulst: De laatste liefde van mijn moeder. Contact, 235 blz. €18,95

Geen zuipende vader en nonkels zijn het, de personages die de nieuwe autobiografische roman van de Vlaamse succesauteur Dimitri Verhulst (1972) bevolken. Ditmaal moeten zijn aan vraatzucht lijdende moeder Martine en haar vrijwel abstinente minnaar Wannes eraan geloven. Hiermee voltooit Verhulst het verhaal van zijn jeugd.

Die tragische jeugd wordt dit keer niet gezien door de ogen van de jongen, de hoofdpersoon, zoals in De helaasheid der dingen. Een alwetende verteller, ‘wij’, beschouwt de moeder als een halve imbeciel. Zij is een onontwikkelde 30-jarige vetzak die zojuist gescheiden is van de alcoholische en uiterst gewelddadige vader van haar zoontje Jimmy. Ze werkt in een fabriek waar ze fietszadels in elkaar zet en vult de rest van haar tijd met vreten en tv-soaps kijken.

Toch is zij slimmer dan zij eruit ziet. Ze kan nadenken en probeert uit alle macht de feiten van haar eigen leven genoeg basis te verschaffen om er fictie van te maken. Haar ellendige leven overziend, vraagt zij zich af ‘hoeveel kelder een feit kon krijgen vooraleer het fictie werd.’

Met haar nieuwe minnaar wil ze een modelgezinnetje stichten. Zijzelf, maar ook haar 11-jarige zoon Jimmy, moeten daartoe van een gefictionaliseerde identiteit worden voorzien. De nieuwe minnaar, een 27-jarige arbeider bij de Volkswagenfabriek, zal spelen dat hij als eerste en enige liefde van Martine de verwekker van Jimmy is. Als het kind niet mee wil spelen, is er in de tv-soap die zijn moeder voor ogen staat, geen plaats meer voor hem. Dan wordt hij er domweg uitgeschreven.

Het kan zijn dat de Martine in de mond gelegde uitspraak over feiten die in de loop der tijd fictie kunnen worden, een manier is om nog eens te onderstrepen dat de verhalen niet letterlijk genomen mogen worden. Dit om te voorkomen dat Verhulst een proces wegens laster aan zijn broek krijgt. Zijn debuut De kamer hiernaast (1999), waarin hij zijn moeder herkenbaar portretteerde als een monsterlijk dikke vrouw, was voor haar aanleiding haar zoon voor de rechter te dagen.

Iets soortgelijks overkwam hem na de verfilming van zijn bestseller De helaasheid der dingen uit 2006 toen de ‘nonkels’, zijn ooms, in de media protest aantekenden tegen het liederlijke beeld dat Verhulst van hen had geschetst. Verhulst wil gewoon kunnen zeggen dat zijn romans per definitie fictie zijn, hoeveel ‘kelder’ de door hem beschreven feiten ook hebben.

Chronologisch gezien gaat dit nieuwe deel van Verhulsts autobiografie aan De helaasheid der dingen vooraf. De laatste liefde van mijn moeder behandelt de episode die er mee zal eindigen dat het kind door zijn moeder op straat wordt gegooid. In De helaasheid der dingen, een veel rauwere en dichter op de huid geschreven getuigenis – al was het maar omdat het verhaal in de ik-vorm vanuit het perspectief van het kind is opgetekend – gaat hij vervolgens bij zijn immer beschonken asociale vader en ooms inwonen.

Voor een vet verhaal is dat een aantrekkelijker milieu om uit te beelden dan de intens burgerlijke would be -keurigheid van Martine en Wannes. Verhulst heeft er duidelijk geen affiniteit mee. Om duidelijk te maken hoe dom en benepen de wereld van Martine en Wannes eruit ziet, plakt Verhulst de jaren vijftig over de jaren tachtig heen. Dat is de grootste zwakte van deze roman. Het verhaal speelt begin jaren tachtig, maar de ‘sixties’ en ‘seventies’ lijken nooit te hebben bestaan. Gescheiden vrouwen zijn hoeren, de man is als kostwinner het hoofd van het gezin, het gezin is de hoeksteen van de samenleving. Arbeiders zijn ongeschoold en dom, hebben maar één week vakantie, die als vorm van ultieme luxe met een georganiseerde busreis naar het Zwarte Woud voert.

Ruim tweederde van De laatste liefde van mijn moeder gaat over die reis naar en het verblijf in het Zwarte Woud, waarbij Verhulst geen clichébeeld van de jaren vijftig schuwt. Er is een reisleider die voortdurend bandjes met Duitse schlagers laat horen, er zijn beschonken passagiers die platte moppen vertellen, in Gasthaus Knusperhaus te Furtwangen wordt diarree veroorzakend vet eten geserveerd en het verplichte culturele uitstapje gaat naar een koekoeksklokmuseum.

In deze retro-ambiance spelen Martine en Wannes vadertje en moedertje. Tot verbijstering van Jimmy blijken ze voor de reis te zijn ingeschreven als ‘het gezin Impens’, naar de achternaam van Martines nieuwe kostwinner. Vlak voor de reis begint, drukt Wannes Impens de elfjarige Jimmy op het hart dat hij door hem ‘vader’ genoemd wenst te worden, zodat ‘de mensen’ denken dat zij een gewoon gezin zijn.

Martine is met de tot voor kort nog maagdelijke Wannes, die zijn vrije avonden braaf met vrienden rond de jukebox doorbracht, van de hel in de hemel terecht gekomen. Ook Jimmy is er in haar ogen op vooruitgegaan. Het kind hoeft bijvoorbeeld niet langer getuige te zijn van het seksleven van zijn moeder, zoals voorheen met Jimmy’s vader het geval was.

Verhulst is in deze roman op zijn best als hij Martine laat terugblikken op haar leven met de vader, de zuiplap die al het huishoudgeld er doorheen joeg en zijn vrouw verkrachtte en mishandelde. Dan heeft hij de toon en de taal en de virtuoze stijl weer te pakken die De helaasheid der dingen zo levensecht en meeslepend maken. ‘In de mate van het mogelijke had ze haar kind proberen afschermen van haar seksleven. Maar als zijn vader, de woesteling, het in zijn hoofd had gehaald om zijn eind in haar te duwen, dan duwde hij zijn eind in haar en had zij alleen maar te hopen dat deze taferelen geen sporen zouden nalaten op de ontwikkeling van die jongen.’

Sporen hebben die ervaringen natuurlijk wel achtergelaten op het kind, temeer daar Martine er ondanks haar inspanningen niet in was geslaagd ‘de miserie’ voor de kleine verborgen te houden. ‘Met tegenzin , want vaak had haar de lust bekropen om te zeggen: ‘Kijk jongen, kijk maar goed, dit is nu uw vader, hij zeikt en hij schijt in z’n slaap, en dat allemaal omdat hij avond na avond moet gaan kaarten of biljarten met z’n vrienden.’ […] Ach, de nachten dat ze stront en kots ruimde, soppend met dweilen en sponzen in en naast de sponde, hopend dat haar kind diep genoeg sliep om er geen getuige van te moeten zijn. Zelfs hoe Martine uiteindelijk bevrediging zocht bij andere mannen, een vijftal, had zij niet helemaal weten te verstoppen voor Jimmy, van wie ze niet zonder reden vreesde dat hij met een mensbeeld van hoeren en zuipers zijn tiende levensjaar inging.’

Maar nu, met de slome Wannes, zal zij haar zoontje opnieuw kwetsen. Tijdens de vakantie in het Zwarte Woud vertoont zij tekenen van zwangerschap, er is een nieuwe zoon op komst, waarvoor Jimmy zal moeten wijken.

Wat Verhulst weergaloos beschrijft, is de aan minachting grenzende weerzin tegen het intens burgerlijke, schijnheilige, bekrompen milieu dat voor Wannes en Martine het ideaal is. Zij vertegenwoordigen het mensbeeld dat in Godverdomse dagen op een godverdomse bol wordt uitgedragen, dat van eerloze, gekrenkte, oerdomme wezens, die alleen voor zichzelf bestaan, zonder liefde of echte idealen. De jongen wil aan dit milieu ontsnappen door filosoof te worden. Dat is de ultieme wraak op zijn stupide, alleen op zichzelf gefixeerde moeder en haar minnaar.

Wannes reageert woedend op zijn toekomstplannen: ‘Fi-lo-soof! Te schande maak jij ons. En je weet het! Je doet het erom! Wat moeten de mensen niet denken? Dat je neerkijkt op je eigen ouders? Dat je niks te maken wil hebben met een simpele lul die zijn bonen in een autofabriek moet zien te doppen? Met een achterlijke moeder die bromfietszadels maakt in een andere, maar al even terneerdrukkende fabriek? Dat ons voorbeeld voor jou van dien aard is dat je van onze levenswijze niets moet?’

Ja, daar moet de hoofdpersoon van Verhulst niets van hebben, zoals hij roman na roman van de daken schreeuwt tegen het Vlaamse klootjesvolk, waaraan hij zich met zoveel moeite ontworsteld heeft. De laatste liefde van mijn moeder (volgens Jimmy een mooie naam voor een parfum, maar eerder van toepassing op de zoon die zij van Wannes kreeg) eindigt met een ultrakort tweede deel, dat, om tot een afgeronde vorm te komen, als ‘een epode aan het distichon’ is toegevoegd. Hierin is Jimmy een 91-jarige filosoof die op een ontmoeting wacht met de laatste liefde van zijn moeder die hij nooit heeft ontmoet. ‘Daarna mogen alle boeken toe.’

Over het gesprek tussen Jimmy en zijn halfbroer, dat zich ergens in het jaar 2073 moet afspelen, komen we niets te weten. Misschien voltrekt het zich alleen in de fantasie van de oude filosoof, wellicht is het stof voor een volgende roman, hoewel dat onwaarschijnlijk is. We mogen aannemen dat met de niet heel sterke roman De Laatste liefde van mijn moeder de boeken over Verhulsts rampzalige jeugd bij de door hem gehate Vlaamse ‘mosseleters’ inderdaad gesloten worden.