Elke oorlog telt te veel fronten

Op elke tien Amerikaanse doden in de Vietnamoorlog is één boek verschenen. Daar kwamen er onlangs drie bij. Ze geven vanuit steeds andere perspectieven een beeld van de oorlog.

Visitors, including motorcycle riders from the annual Rolling Thunder demonstration, stop to pay their respects at the Vietnam Veterans Memorial on Memorial Day weekend in Washington, May 30, 2010. REUTERS/Jonathan Ernst (UNITED STATES - Tags: MILITARY OBITUARY CONFLICT POLITICS SOCIETY) REUTERS

Auke Hulst

Karl Marlantes: Matterhorn. El León Literary Arts / Atlantic Monthly Press, 602 blz. € 25,-

David Rabe: Girl By The Road At Night. Simon & Schuster, 230 blz. 23,-

Bill Hayton: Vietnam: Rising Dragon. Yale University Press, 254 blz. € 27,-

Tim O’Brien: The Things They Carried (20th Anniversary). Houghton Mifflin Harcourt, 256 blz. € 27,-

Van alle oorlogen waarbij de Verenigde Staten betrokken zijn geweest, inclusief die in Afghanistan en Irak, heeft die in Vietnam zich het diepst in het Amerikaanse collectieve bewustzijn verankerd. Elk erop volgend conflict is bekeken door het prisma van dat debacle uit de jaren zestig en zeventig. Misplaatst of niet, steeds gaat het over ‘het negeren van de lessen van Vietnam’ of een uitzichtloze situatie ‘zoals Vietnam’.

Literatuur weerspiegelt die nationale obsessie. Op elke tien Amerikaanse doden is één boek verschenen, de hoogste ratio voor welke oorlog dan ook. Matterhorn, het monumentale debuut van de veelvuldig gedecoreerde veteraan Karl Marlantes, behoort tot de jongste lichting romans. Volgens veel critici is zijn boek het definitieve en laatste woord over de oorlog, volgens andere een schandelijke vertekening van de realiteit.

Marlantes diende dertien maanden als marinier in Vietnam, waar hij diep in de jungle slag leverde met het Noord-Vietnamese leger. Toen hij bij terugkeer werd geconfronteerd met de anti-oorlogsbeweging, die veteranen onder meer uitmaakte voor ‘baby killers’, was zijn eerste aanvechting een automatisch wapen te grijpen. Zijn tweede was een boek te schrijven. Het vergde ruim dertig jaar, diverse versies en een mentale ineenstorting. Met zo’n voorgeschiedenis kun je niet anders dan een bezeten boek verwachten.

Matterhorn is het autobiografische verhaal van Marlantes’ alter ego Waino Mellas, een universitair geschoolde streber, die het leger in eerste instantie ziet als instrument om hogerop te komen. De berg met de bijnaam Matterhorn, die ingenomen wordt en weer verlaten, en daarna, met grote verliezen, andermaal moet worden ingenomen, maakt korte metten met die ambities. Alles verzandt in de eindeloze ‘gespannen monotonie’ van patrouilles en het wachten op oprispingen van geweld die zich niettemin altijd onverwachts aandienen.

Het boek is, zoals oorlog zelf, repetitief en bij vlagen gruwelijk. Goed en slecht staan er niet haaks op elkaar, maar zijn communicerende vaten. In een van de meer beschouwende passages denkt Mellas na ‘over de jungle die nu alweer om hem heen dichtgroeide en de littekens die ze gemaakt hadden overdekte. Hij dacht aan de tijger, die doodt om te eten. Was dat kwaadaardig? En mieren? Die moorden evengoed. Nee, de jungle was niet kwaadaardig. Ze was onverschillig. Net als de wereld. Het Kwaad moest dus het opheffen zijn van iets wat de mens had toegevoegd. Uiteindelijk maakte het geven om iets de wereld bevattelijk voor kwaadaardigheid.’

Dat geven om iets – een ander, jezelf, een dier – compliceert alle keuzes. Schiet je een olifant dood omdat hij eventueel als lastdier voor het Noord-Vietnamese leger kan dienen? Kies je ervoor de achtervolging in te zetten op vluchtende ‘gooks’ (‘spleetogen’, red.), met het risico op een hinderlaag? ‘Kansberekening betekent niets wanneer alles op het spel staat’, zo beseft Mellas.

Matterhorn combineert de onopgesmukte, plastische kant van oorlog met politieke gelaagdheid. Niet eerder werden de raciale verhoudingen binnen het leger zo goed beschreven. Mellas’ Bravo Company balanceert voortdurend op de rand van desintegratie. De kans bestaat dat een ‘brother’, uit woede over ongelijke behandeling, een handgranaat onder je bed rolt.

Hoewel instinct volgens Marlantes op het slagveld van belang is, ‘is het in een moderne oorlog ontoereikend. Oorlog is te technisch geworden, en in dit specifieke geval te politiek.’ Terwijl binnen Bravo Company individuen zich proberen te positioneren voor promotie, zijn ze allen het slachtoffer van cynische aansturing door commandanten achter de linies. Omdat Eerste Luitenant Fitch iets te vaak met zijn kop in de krant is gekomen, wordt Bravo Company met ontoereikende proviand op een helse tocht door de jungle gestuurd. Er volgen onzinnige en dodelijke opdrachten die slechts pr-betekenis lijken te hebben. Alles draait om ‘body count’, . Zoals Majoor Blakely zegt, in een vergelijking tussen Korea en Vietnam: ‘Het gaat om uitputting in deze oorlog. Grondgebied betekent geen ene reet.’

Matterhorn is een boek met kwaliteiten en gebreken. Het is intens en authentiek, onder meer door Marlantes’ consequente (en desoriënterende) gebruik van militair jargon. Maar het mist bij vlagen literaire verdieping en kent net te veel clichéfiguren, van de dranklustige kolonel tot de gretige vechtersbaas. Dat het boek in de VS tot extreme standpunten leidde, is daarom opmerkelijk.

Het enthousiasme van veel recensenten kan niet los worden gezien van de blijvende relevantie van Vietnam. Maar hetzelfde geldt voor de kritiek. Miljoenen Vietnamezen stierven of raakten verminkt tijdens de oorlog. ‘Matterhorn raakt hier geen seconde aan’, aldus Tom Engelhardt, journalist van het tijdschrift The Nation en mede-oprichter van het kritische ‘American Empire Project’. ‘Marlantes focust exclusief op een kleine eenheid Amerikanen, op een afgelegen locatie, omringd door vijandelijke troepen. Een episode die, hoe goed getroffen ook, slechts een flinter van een fractie vertegenwoordigt van het conflict dat we de Vietnamoorlog noemen.’

Schrijver en veteraan Edward Wilson vindt Matterhorn zelfs geen literatuur, maar ‘cartoon-porno van de laagste soort’. Bij elk exemplaar van het boek zou volgens hem een verslag van de My Lai-slachting moeten worden gevoegd.

Dergelijke uitingen lijken vooral ingegeven door het collectieve schuldgevoel. Bovendien zijn ze op vrijwel alle Vietnamromans van toepassing. Steeds weer is de oorlog een Amerikaanse tragedie, waarbij de gezichtsloze Vietnamese doden het gewicht hebben van lucht. Slechts een handvol schrijvers is erin geslaagd volwaardige Vietnamese karakters neer te zetten, Robert Olen Butler voorop. Hij was als vertaler middenin Saigon gestationeerd en zat dichter op de cultuur dan de mariniers en de oorlogsverslaggevers. Zijn beste verhalen, te vinden in A Good Scent From Strange Mountain (1992), vertelden over Vietnamese vluchtelingen die zich staande proberen te houden in het Amerikaanse zuiden.

Ook in Girl by the Road at Night, de nieuwe roman van de vaak bekroonde toneelschrijver en veteraan David Rabe, wordt een moedige poging gedaan een balans te vinden. Het is het verhaal van Vietnamganger Joseph Whitaker en Lan, een Vietnamese prostituee. Hun ontmoeting maakt ondanks moeizame communicatie een nooit uitgesproken hunkering naar verbondenheid los. Beiden zijn dolende figuren. Whitaker loopt in het eerste deel van het boek met zijn ziel onder zijn arm door Washington, waar hij zich verbaast over de antioorlogsprotesten en vergeefs contact zoekt met een ex-vriendin en met zijn vader. Lan worstelt met de herinnering aan haar overleden vader en een wereld die is verdwenen. De Amerikaanse GI’s die haar beklanten, verdraagt ze met een combinatie van waardigheid en onthechting. ‘Ontelbare soldaten hebben op haar gelegen’, schrijft Rabe, ‘de hele dag door pompend en grommend; nu drijven ze voorbij in haar herinnering, hun vele lichamen versmolten tot één enkel fantoom dat ergens in de verte zweeft.’

Er is een overeenkomst tussen Matterhorn en Girl by the Road at Night: de auteurs begonnen beide boeken na terugkeer uit Vietnam, maar voltooiden die pas decennia later. Maar daarmee houdt elke overeenkomst op. Girl by the Road at Night houdt zich verre van het daadwerkelijke slagveld. Het is geen fysieke leeservaring, maar een minutieuze karakterstudie. Hier wordt de taal gebruikt om een onzichtbare, onderliggende en surrealistische kwaliteit op te roepen. De toon is literair, soms transcendent.

Uiteindelijk zorgt een dramatische wending ervoor dat een mogelijke verdieping van de liefde nooit een kans zal krijgen. En dat is misschien maar beter ook, getuige het verwante The Alleys of Eden (1981), Robert Olen Butlers debuutroman. Daarin belandt een animeermeisje uiteindelijk met haar soldaat in de VS. Daar verdwijnt de liefde wanneer ze niet in staat blijkt volwaardig in het Engels te converseren. En zo wordt ze weer de hoer die ze was.

Als Rabe bewijst dat het mogelijk is twee kanten te belichten, is de kritiek aan Marlantes’ adres dan terecht?

Ik denk het niet. Je kunt het geheel van de Amerikaanse literatuur een zekere blindheid en zelfingenomenheid verwijten, maar het is niet reëel een volledig beeld van een individueel boek te verlangen. Zoals Rabe voorbij gaat aan de hel van het slagveld, legt Marlantes juist dáár zijn focus. Het is zíjn ervaring en zíjn perspectief, en daar waar hij er van afwijkt, zoals in de scènes met hogere officieren op beslissingsposities, verliest het boek direct aan kracht en geloofwaardigheid. Oorlog is uiteindelijk gelaagd, chaotisch en fundamenteel ondoordringbaar. Er zijn simpelweg te veel frontlinies: politieke, militaire, sociale en persoonlijke. En lokale, internationale en psychologische.

Laten we bovendien kijken naar de Vietnamese literatuur over de oorlog. Terwijl Vietnam voor Amerikanen dé oorlog is, is de ‘Amerikaanse Oorlog’ voor Vietnamezen slechts een hoofdstuk in een veel langere strijd. Veteraan Bao Nihn, die vocht aan Noord-Vietnamese kant, schreef in het non-lineaire The Sorrow of War (1991) over de angst, de waanzin en de futiliteit van oorlog, wat hem op een tijdelijk verbod van zijn boek kwam te staan. Verder zijn diepgravende romans en non-fictieboeken dun gezaaid. Een triomfantelijke officiële geschiedenis beperkt de ruimte voor het ware Vietnamese verhaal. Daarom, zo schreef Vietnamkenner Matt Steinglass, ontbreekt in Vietnamese boeken ook de amorele chaos die je met Vietnamfilms en -literatuur associeert.

Voor Amerikanen staat Vietnam voor een innerlijk conflict – de reis naar de Amerikaanse heart of darkness. Meer dan andere oorlogen, de Burgeroorlog daargelaten, is ze verbonden met scheuren in het weefsel van de Amerikaanse samenleving zelf. Vietnam werd deel van de Amerikaanse cultuuroorlog en viel samen met een tijdsgewricht van extreme interne tegenstellingen. Het bracht de essentie van Amerika zélf aan het wankelen. Voor Vietnamezen was het een strijd voor eigen land en lot. Aan de rechtvaardigheid van die strijd mag en kan binnen Vietnam niet getwijfeld worden.

Voormalig BBC-correspondent Bill Hayton, die het land uit werd gezet toen hij met dissidenten sprak, legt in het actuele Vietnam: Rising Dragon uit waarom. De Vietnamezen die in de oorlog vochten, zitten volgens Hayton gevangen in een ‘woede zonder stem’. ‘Ze weten waarom ze vochten, ze weten wat zij en hun lotgenoten hebben doorstaan, ze weten hoe onrechtvaardig het allemaal voelde – maar het is ze verboden er in het publieke domein over te spreken omdat de Partij heeft besloten dat het land de hulp en de middelen van de Verenigde Staten nodig heeft.’ Hoewel toeristen rondgeleid worden door de tunnels van de het Noord-Vietnamese Leger, is de oorlog zo goed als taboe. De Partijbonzen en commandanten die honderdduizenden de dood in stuurden, hebben nu andere belangen gekregen.

Uiteindelijk is de enige maatstaf voor een oorlogsboek of het op politiek, emotioneel, fysiek of zelfs metafysisch niveau inzicht biedt in de realiteit van oorlog. Of beter, een realiteit van oorlog.

De auteur en Vietnamveteraan Tim O’Brien formuleerde in zijn klassieke verhalenbundel The Things They Carried (1990), onlangs heruitgegeven ter ere van het twintigjarig jubileum, een duidelijk mission statement: niet in nauwgezette verslaggeving, maar in de falsificaties van fictie kom je emotioneel het dichtst bij de ervaring van soldaten in het veld. In het verhaal ‘Good Form’ wordt zelfs expliciet het onderscheid gemaakt tussen ‘story truth’ en ‘happening truth’.

Veel verhalen in The Things They Carried worden verteld door ene Tim O’Brien; hoewel puttend uit eigen ervaring gaat het hier om een fictieve incarnatie van de schrijver. O’Brien duikt in leven en psyche van de onderknuppels van Alpha Company, van Eerste Luitenant Jimmy Cross en zijn obsessie met een meisje ‘back home’, tot veldarts Rat Kiley, gewapend met morfine en M&Ms. De auteur heeft moed, waanzin, humor, vriendschap, horror en angst in de aanbieding, maar geen boodschap of verlichting. ‘Een echt oorlogsverhaal kent geen moraal’, schrijft O’Brien. ‘Als een verhaal moreel lijkt, geloof het niet. Wanneer je je aan het eind verheven voelt, of als je gelooft dat een klein beetje rechtschapenheid gered is uit de puinhopen, dan ben je het slachtoffer geworden van die oude, verschrikkelijke leugen.’

Rabe, Marlantes en O’Brien houden zich verre van suikering en moralisering. Met wezenlijk andere middelen en vanuit diverse perspectieven slagen deze veteranen erin een pregnant beeld van Vietnam neer te zetten. Het is hooguit in het samenspel van dergelijke uiteenlopende visies dat oorlog ooit in al zijn dimensies invoelbaar kan worden. Al mag je vrezen – én hopen – dat de ervaring fundamenteel ongrijpbaar is, zolang je het niet zelf hebt meegemaakt.

Auke Hulst