Elke nacht weer een ferryboot kuisen

Net als Günther Wallraff kroop de ooit gegijzelde Florence Aubenas in de huid van iemand met een geminacht baantje. Ze schreef er een bestseller over.

Margot Dijkgraaf

Youssouf Amine Elalamy: De clandestienen. Vertaald door Jacco Leeuwerink, 126 blz., € 17,50

Samuel Benchetrit: De talenten van Charly. Vertaald door Saskia Taggenbrock. Meulenhoff, 239 blz., € 17,95

Florence Aubenas: Le quai de Ouistreham. Ed. de l’Olivier, 270 blz. € 19,-

Wat vermag de literatuur? Geen schrijver zal nog beweren dat zijn geschriften werkelijk iets zullen veranderen in de wereld. Zelfs de hoop daarop is vervlogen. Schrijvers lijken in onze snelle, communicatieve, globaliserende en op het beeld gerichte wereld steeds realistischer en bescheidener te worden.

Dat bleek ook uit de Nobelprijslezing van J.M.G. Le Clézio twee jaar geleden. Als je schrijft, handel je niet, zei de laureaat, ‘als je schrijft, betekent dat dat je je ongemakkelijk voelt in de werkelijkheid, dat je een andere manier van communicatie zoekt, een afstand, een tijd voor reflectie’.

Le Clézio’s hele oeuvre getuigt van zijn zoektocht naar het vinden van een verhouding tot die werkelijkheid, of dat nu in zijn verhalen is over jonge mensen en hun dromen, over steden en onbewoonde eilanden, over de zee en de woestijn; in zijn autobiografische romans; in zijn meer essayistische en filosofische werk over de angst van het individu in een gewelddadige wereld; of in zijn reisboeken waarin hij verslag deed van zijn verblijf bij indianenvolken of woestijnbewoners.

En toch is handelen wat de schrijver boven alles wil, betoogt Le Clézio. Handelen, liever dan getuigen. Schrijven, verbeelden, dromen opdat woorden ‘ingrijpen in de werkelijkheid, de harten en de hoofden veranderen, toegang geven tot een betere wereld’. Maar hoe doe je dat?

Ook de door Le Clézio geciteerde Zweedse schrijver Stig Dagerman worstelde met het probleem. Hoe kun je je aan de ene kant gedragen alsof niets op de wereld belangrijker is dan de literatuur, terwijl je aan de andere kant ziet dat mensen honger lijden? Je loopt tegen een paradox op: hij die juist wil schrijven voor hen die honger hebben, ontdekt dat alleen zij die genoeg te eten hebben zijn bestaan opmerken. Erst das Fressen dann die Moral, zei Brecht al.

Toch verschijnen er in de Franstalige literatuur – en meer in het algemeen vooral in de mediterrane letteren – steeds meer boeken over mensen die leven in de marge, vluchtelingen, immigranten en anderen die aan de rand van de afgrond bivakkeren.

Neem De clandestienen van de Marokkaanse schrijver en beeldend kunstenaar Youssouf Amine Elalamy (1961), een onclassificeerbaar, poëtisch boek over een paar jonge mensen die in hun geboorteland geen bestaan konden opbouwen en de overtocht naar het zogenaamd paradijselijke Europa waagden. Ze moeten het met de dood bekopen. ‘Her en der lagen aangespoelde lichamen op het strand. Sommige waren zwart, sommige waren wit. De zee leek geen onderscheid te hebben gemaakt: bij allemaal waren de ogen weggevreten.’

Het vertelperspectief verandert voortdurend, van de doden naar de achterblijvers, van een vriend naar een moeder. ‘Kijk hoe hij ligt te slapen, zijn hoofd op het kussen, net als anders, zijn vuisten gebald onder het laken met de bloemen, nee hoor, dat zijn geen algen.’

Stapjes

Zo ontstaat een heel koor van stemmen, als in een orale vertelling waarbij elementen steeds worden herhaald. De moeder wil haar aangespoelde zoon niet al te snel zien, om het besef van zijn dood nog even uit te stellen. ‘Ik zag mijn voeten langzaam vooruitkomen, heel langzaam, met kleine stapjes, mijn voeten renden niet, ze verplaatsten zich langzaam met kleine stapjes, zo dus.’ De zee krijgt een hoofdrol, wordt een personage dat steeds meer mensen zal opslokken, ‘zolang er een hier en een daar is’. De media melden eufemistisch en onverschillig dat er twee ‘roekeloze zwemmers’ zijn omgekomen op wat eens ‘zo’n mooi strandje’ was.

Verschrikkingen onder ogen zien, oproepen tot solidariteit – het is wat literatuur vermag. Elalamy slaagt erin er geen loodzware thematiek van te maken. Hij breekt door de conventies, speelt met de vorm, laat een onorthodoxe verteller in dialoog gaan met de lezer. ‘Toch zou je graag uit dit verhaal lopen zoals uit de bioscoop, met een bezwaard gemoed, maar toch met de troostende gedachte dat het maar een film is ....Maar jammer genoeg mag je in boeken niet vals spelen: eens geschreven blijft geschreven’.

Ook in De talenten van Charly valt er te glimlachen, ondanks de allesbehalve vrolijke thematiek. In zijn vierde roman geeft schrijver, filmmaker, acteur en regisseur Samuel Benchetrit (1974) het woord aan de tienjarige Charly, die met zijn moeder en zijn broer in een voorstad van Parijs woont. Daar waar ‘dode verslaafden in de bergingen van de flats komen rondspoken’.

Charly houdt van Baudelaire en vindt zijn gedichten ‘mooi ook als (hij) ze niet begrijp(t). Volgens mij is het niet echt van belang om ze te begrijpen. Net zoals je dromen niet begrijpt. Dat neemt ook niemand je kwalijk’. Op school munt de jongen uit in het schrijven van opstellen. ‘Later als ik groot ben, dan zit ik opgesloten in een injectiespuit, ik zit erin, en wil eruit’.

Op een ochtend wordt zijn moeder, een illegale immigrante uit Mali, door de politie opgepakt. Benchetrit maakt, van uur tot uur, de angst voelbaar van zijn jonge ik-persoon. Hij gaat desondanks naar school, langs de weg die ‘heel autobiografisch’ is. ‘Daarmee bedoel ik te zeggen dat ik langs alle belangrijke plekken uit mijn leven kom.’ Langs de basisschool Jean-Paul Sartre en de kleuterschool Simone de Beauvoir. ‘Ik vroeg me af of ze samen waren gegaan vanwege die scholen die naast elkaar liggen. Maar ze waren al hartstikke dood voordat die scholen bestonden.’

Aan alles is te zien dat Benchetrit schatplichtig is aan Kourouma’s magistrale roman Allah is niet verplicht. Maar ook bij hem werkt het kinderperspectief, de onschuld en de humor; ook bij hem zijn literaire referenties een laatste strohalm in een hunkering naar beschaving en zelfrespect. Benchetrit gaat, net als Elalamy, de wereld met literatuur te lijf. Hun literatuur staat midden in de wereld en geeft, met alle middelen, uitdrukking aan een enorme morele betrokkenheid.

Dat doet ook de journaliste Florence Aubenas, zij het met een ander soort pen – die van de reporter. Haar boek, Le quai de Ouistreham, is met ruim 200.000 verkochte exemplaren dé literaire non-fictie bestseller van dit voorjaar in Frankrijk. Aubenas werd bekend doordat ze in 2005, tijdens een reportage over vluchtelingen in Bagdad, samen met haar cameraman, gegijzeld werd. Na een mediacampagne onder regie van haar collega’s bij Libération en diplomatieke manoeuvres achter de schermen werd ze na 157 dagen vrijgelaten.

Des te opmerkelijker dat ze vorig jaar onder haar eigen naam, maar met een gefingeerd cv, een ander leven – en een nieuwe reportage – kon beginnen in de Noord-Franse stad Caen. Haar vrienden vertelde ze dat ze in Marokko een roman ging schrijven, terwijl ze zich in werkelijkheid incognito als werkzoekende inschreef bij het arbeidsbureau van Caen. Op haar cv geen enkele werkervaring, slechts een huwelijk met een garagehouder, dat na twintig jaar verbroken was.

Zonder kruiwagens

Een half jaar verkeerde ze met mensen die zich werkelijk in de marge van de maatschappij bevonden, mensen die zonder diploma’s, zonder kruiwagens, bereid zijn tot alles om maar brood op de plank te krijgen. Mensen die de crisis aan den lijve ervaren, die vechten om contractjes waarbij ze drie uur moeten reizen om één uur betaald werk te kunnen doen.

Aubenas schetst zonder ironie, met verve en humor, de lange weg naar werk. Ze beschrijft hoe haar sollicitatiegesprekken verlopen, voor welke cursussen ze zich inschrijft: ‘hoe een cv te schrijven’, ‘hoe te reageren op een advertentie’ en ‘hoe je vaardigheden onder de aandacht brengen’.

Omdat ze geen enkele werkervaring heeft – zoals bijna iedereen daar – wordt ze toegevoegd aan het legioen schoonmakers. Ze krijgt een korte cursus, waarin haar wordt uitgelegd hoe ze met de apparatuur om moet gaan – een beschrijving die ronduit hilarisch is. Uiteindelijk vindt ze werk, het ondankbaarste en slechtst betaald: ze mag de hutten op de ferryboot naar Engeland schoonmaken, een paar uur in de vroege ochtend en in de late avond, werk dat met zeer velen en in een hoog tempo moet gebeuren. Kots uit de plee, haren uit de douche, stoelen recht en op naar de volgende.

Geweldig zijn de portretten van haar mede-werkzoekenden en later van haar collega-schoonmakers, van de mannen die haar voor dom of del verslijten, de bazen die haar uitpersen tot ze niet meer kan en dan nog menen dat ze hun dankbaar mag zijn.

Maar wat een solidariteit in de misère, wat een vriendschap en wat een onderlinge kameraadschap. Aubenas laat de onderkant van de maatschappij zien, de Franse in dit geval, maar wat ze ziet, geldt net zo goed voor alle westerse landen. Le quai de Ouistreham is goed geschreven én echt gebeurd. Ook Aubenas getuigt van leven in de marge – en hoe.