Eerherstel voor de kwakende kikkers

Arme Stanislavski, denk ik vaak. De laat negentiende-eeuwse Russische regisseur Konstantin Stanislavski staat in de toneelgeschiedenis te boek als de grote verprutser van het theaterwerk van Anton Tsjechov. Er kan in de Nederlandse schouwburgen geen opvoering zijn van De kersentuin, De meeuw of Drie zusters of de regisseur verwijst met afkeer naar het verderfelijke realisme dat Stanislavski toepaste. Hij was de eerste regisseur van Tsjechov en verbonden aan het Moskous Kunsttheater.

Wat deed Stanislavski met Tsjechovs werk? In de pas verschenen bundel Toneelbespiegelingen (Amsterdam University Press) schrijft emeritus hoogleraar Theaterwetenschap Rob Erenstein naar aanleiding van De meeuw: „Om sfeer te creëren had Stanislavksi namelijk alles uit de kast gehaald: prachtige belichting van een ondergaande zon op een meer waarbij het stuk zich afspeelde, kwakende kikkers, een hond die blafte in de verte, het gegons van insecten.” In zijn brieven verzette Tsjechov zich tegen Stanislavski’s regieopvattingen; hij maakte tragedies van zijn komedies en die kwakende kikkers waren Tsjechov een vloek. Erenstein concludeert dat Stanislavski zijn leven lang heeft geworsteld met de kritiek van Tsjechov, al ging de regisseur de toneelschrijver steeds beter begrijpen maar „compleet doorgrond heeft hij het genie nooit”.

Is die kritiek op Stanislavski terecht? Bij de Berlijnse Schaubühne verscheen in de jaren tachtig een fotoboek met alle regies van Tsjechov door Stanislavski. Daar staat zuster Masja te smachten tegen een echte berkenboom, en kijk, de jonge Kostja aan het meer. Dit gedocumenteerde beeldverhaal is een hommage aan Stanislavski die als een van de eersten het landschap integreerde in een toneelvoorstelling.

De Nederlandse theatermaker bejegent Stanislavski onheus. Dinsdag begint het Zeeland Nazomerfestival. Ter gelegenheid van het tienjarig jubileum is een schitterend fotoboek uitgekomen met als titel Het landschap in de hoofdrol. Uit het inleidende essay en de foto’s kan maar een conclusie worden getrokken: de Nederlandse regisseur heeft het landschap ontdekt. Er wordt zelfs gesproken over ‘de dramaturgie van het landschap’. In Zeeland, maar ook op festivals als Oerol, Boulevard en de Karavaan, zoeken regisseurs en spelers het strand op, het platteland, een boomgaard of boerenerf. Het zijn de podia voor het theater van nu. Daar beleeft de toeschouwer wat in de schouwburg onmogelijk zou zijn: het landschap, de bomen, een voorbijvliegende meeuw en ja, die kikkers. Wat Stanislavski met Tsjechov in de schouwburg wilde bereiken, een verregaand realisme, dat vinden regisseurs nu op buitenlocaties. De vraag blijft: waarom dan zo geringschattend doen over Stanislavski? Waarom heb ik, behalve bij de Berlijnse Schaubühne, nergens gelezen dat hij misschien als enige Tsjechov wél heeft begrepen? De versmade Rus is nu gereïncarneerd op Hollandse theaterlocaties.