Dienaren van god en man

‘Dienaren van god’ hebben het niet breed in de tempels van India. Dus verdienen ze er vaak wat bij als ‘dienaren van de man’. Hun dienstbaarheid voor god en dorp geeft ze status, maar „dit leven leid je niet voor je plezier”.

Illustratie Sebe Emmelot

Renuka was nog jong toen ze werd uitgehuwelijkt. Misschien een jaar of dertien. Maar een echtgenoot heeft ze nooit gehad. Nu is ze ongeveer 37 en moeder van twee jongens die nog op school zitten. Wie hun vaders zijn, weet ze niet.

In een apart kamertje in haar bescheiden huis ontvangt Renuka mannen die tegen betaling met haar naar bed willen. Soms voor een vluggertje, soms voor even iets langer, iets minder haastig. Maar er is een man, een kruidenier uit het dorp, die ze niet als klant beschouwt. Hij is al jaren haar vaste partner, haar hiriyavaru, ‘de oudere’, zoals ze haar verkering noemt. Elke week komt hij wel een paar keer langs.

Haar partner, de kruidenier, is getrouwd maar houdt al lang niet meer van zijn eigen vrouw. Hij is van haar weg. Hij houdt van haar, zegt hij. Renuka haalt een foto uit haar portemonnee. Daarop staat hij, fier kijkend met zijn zwarte snor en zijn door henna roodbruin gekleurde haar, zorgvuldig gekamd. Alleen: zijn hoofd is veel groter dan dat van Renuka. Renuka giechelt: ze heeft een pasfoto van hem en een van haar genomen en een fotograaf gevraagd er één foto van te maken. Net alsof ze een echtpaar zijn. Nee, zegt ze, ze heeft hem die foto nog nooit laten zien.

Renuka, in haar blauwe sari, woont in Mudhol, een stad van zo’n honderdduizend inwoners in het noorden van de Zuid-Indiase deelstaat Karnataka. Renuka is een bijzondere vrouw: ze is een ‘tempelvrouw’, een devadasi. Deva betekent god, dasi is dienaar. Renuka is als kind niet getrouwd met een sterfelijk wezen. Door haar uit te huwelijken aan de tempel hebben haar ouders haar gewone aardse bestaan opgeofferd aan de goden. Met als bijkomend voordeel dat ze geen bruidsschat hoefden te betalen.

De oorsprong van de tempelvrouwen gaat eeuwenlang terug in de hindoecultuur in sommige gebieden in Zuid-India. In Kerala is de praktijk al bijna twee decennia verboden. Maar er zijn nog steeds honderden devadasi’s in Mudhol en omgeving.

De devadasi’s zijn volgelingen van de godin Yellamma, de godin van de gevallenen. Yellamma is beroemd om haar grote innerlijke kracht. Over haar gaat het verhaal dat haar hoofd vele malen vertienvoudigde en haar geest in alle richtingen reisde nadat haar jongste zoon haar in opdracht van zijn vader had onthoofd. Haar misdrijf was dat ze zich bij het vullen van de waterkruik in de rivier even had laten afleiden door het begeerlijke schouwspel van plezier makende jonge halfgoden. Daardoor was ze te laat thuisgekomen naar de zin van haar echtgenoot.

Oorspronkelijk vervulden de volgelingen van Yellamma uitsluitend religieuze taken, zo wordt gezegd. Ze maakten de tempels schoon, hielpen bij de uitoefeningen van rituelen, gingen voor in gebed en bekwaamden zich in zang en dans. Ze stelden zich dienstbaar op voor de geloofsgemeenschap, maar tegelijkertijd waren ze onafhankelijk van een echtgenoot. Ze konden – en kunnen – nooit weduwe worden. En ze hebben bij vererving dezelfde rechten op het kindsdeel van hun ouders als hun broers.

Dat geeft hun een aparte, hoge status. Maar ook dienstbare devadasi’s moeten leven. Verreweg de meeste tempelvrouwen verdienen al generaties lang hun brood in de prostitutie – zonder dat hun omgeving daar aanstoot aanneemt. Net als Renuka werden de meesten al op zeer jonge leeftijd ‘ingewijd’. En net als Renuka vinden zij dat er eind moet komen aan deze praktijk. „Dit leven leid je natuurlijk niet voor je plezier”, zeggen ze.

Rekha A. Gadi (33) was zeven toen ze werd ‘ingewijd’ in de aan Yellemma gewijde tempel, zo’n zeventig kilometer van Mudhol. Ze droeg een nieuwe groene sari. Ze kreeg jasmijnbloemetjes in het haar. En ze droeg de sieraden die alle vrouwen dragen bij hun huwelijksvoltrekking: een mangalsutra, een lange halsketting met zwarte kralen, een ring om haar teen, oorbellen en groene armbanden, symbool van vruchtbaarheid.

Rekha kan zich er weinig tot niets van herinneren. Wel weet ze dat het huwelijk pas later werd geconsummeerd. Vanaf haar zeventiende deed ze haar religieuze verplichtingen. Ze zong in de tempel en ze ging – altijd op vrijdag – bij huizen langs waarvan de bewoners devadasi’s uitnodigden om met gebed en offerrituelen de goden gunstig te stemmen.

Op haar negentiende kwam ze in de prostitutie. Ze hadden het thuis toch al niet breed, en nu werd haar vader ziek. Logisch dat zij als tempelmeisje het geld voor het gezin moest gaan verdienen. Leuk was het niet, maar Rekha zegt dat ze nooit echt boos is geworden op haar ouders. Haar grootmoeder was ook devadasi, en veel van haar nichten. Die brachten veel geld binnen, dat zagen ze. Los daarvan: het was traditie. Een oudere vrouw, ook een devadasi, wees haar de weg.

Rekha, die zich tegenwoordig vooral inzet voor een organisatie om condoomgebruik te propageren en verspreiding van hiv tegen te gaan, zegt dat ze gemiddeld duizend rupees (zestien euro) per dag verdient. Soms heeft ze zeven, acht klanten op een dag. Als er markt is, meer. Boeren, landarbeiders, vrachtwagenchauffeurs, dagloners, migranten. Soms een manager, een dokter of een ingenieur uit een naburig dorp. En, als ze geluk heeft, een lokale politicus die haar op zijn kantoor uitnodigt.

„Wat is er nu voor leuks aan?”, zegt Rekha berustend. Ze is veroordeeld tot dit leven. Haar twee kinderen, een meisje van elf en een jongen van tien, zijn er aan gewend. Ze is blij dat ze hen zelfstandig kan opvoeden. Ze heeft wel een vaste partner gehad, een chauffeur, met wie ze gelukkig was. Maar die is al een half jaar niet komen opdagen. „Waarschijnlijk problemen thuis”, zegt Rekha half spottend.

Iedereen droomt wel eens over de prins op het witte paard, zegt ze. Maar Rekha is realistisch. Ze zou best een vaste relatie willen hebben, maar ze ziet zich nog niet gauw trouwen. Los van de vraag wie haar nog wil hebben, beseft ze dat ze dan opeens haar status als devadasi kwijt is. Dan verliest ze het respect van de omgeving. Dan wordt ze een gevallen devadasi, een gewoon getrouwde vrouw die moet luisteren naar wat haar echtgenote haar voorschrijft. Straks gaat hij ook nog bepalen hoe ze haar kinderen, van wie ook zij niet weet wie de vaders zijn, moet opvoeden. Dat lijkt haar absoluut geen goed idee.

Rekha wil niet dat haar dochter in haar voetsporen gaat treden. Ze moet haar school afmaken en dan een goede baan zoeken. Ook Rannavva (30) en Durgawwa (24) uit het dorpje Mahalinga Pura vinden dat de traditie van de tempelvrouwen bij hen moet eindigen. Imla Shantappa (40), die een guitig gezicht trekt als ze musiceert met haar collega’s, zegt dat ze zelfs twee vaste partners heeft, die dat van elkaar niet weten. „Ik heb nog seks genoeg hoor”, zegt ze lachend. Dat mogen haar drie dochters ook hebben, maar niet als devadasi, voegt ze er ernstig toe.

Het einde van de devadasitraditie betekent natuurlijk niet het einde van de prostitutie. De tempelvrouwen zeggen dat hun plaats steeds meer wordt ingenomen door ‘gewone’ prostituees. Dat wil zeggen: meisjes die ongewenst zwanger zijn geworden, vrouwen die zijn verstoten door hun echtgenoot of vrouwen die al vroeg weduwe zijn geworden. Velen zien geen andere mogelijkheid om te overleven dan hun lichaam te verkopen. „Ze doen hetzelfde werk als wij. Alleen staan zij er helemaal alleen voor. Zij worden geminacht. Zij genieten niet de bescherming die wij als devadasi’s hebben”, zeggen Renuka en de anderen.

Rannavva (30) uit het dorpje Chimmadu, waar zojuist in de neergutsende regen de jaarlijkse processie is begonnen om de Durga-tempel met een groep devadasi’s voorop, was twaalf jaar toen ze werd ‘ingewijd’. Twee van haar zussen zijn ook tempelvrouwen. Haar ouders verkochten hun maagdelijkheid voor de hoogstbiedende. Eerst werkte Rannavva acht maanden in een bordeel in Bombay. De hoerenmadam kreeg 50 procent. Soms moest ze 25 tot 30 mannen op een dag aan hun gerief laten komen. Klanten die verliefd op haar werden, kregen geen kans. Als ze voor de derde keer om haar vroegen, kreeg madam argwaan en snauwde ze dat ze maar een ander meisje moesten uitkiezen.

Toen haar vader ziek werd, keerde Rannavva terug naar Chimmadu om daar haar werkzaamheden voort te zetten. De hele familie leefde van het geld dat zij en haar zussen inbrachten. „Mijn broers hoefden nooit hard te werken. Ik heb ze aan het verstand gebracht dat ik nu mijn eigen kinderen en mijn eigen verantwoordelijkheden heb.”

Daarom, zegt Rannavva, heeft ze wel een vaste partner (getrouwd, drie kinderen) maar zal ze niet snel met hem trouwen. „Ik vind hem aardig. Maar ik vertrouw hem toch niet helemaal. Straks moet ik ook nog voor hem gaan werken. Wat ben ik er dan mee opgeschoten?”

Dit is deel zestien van een serie over prostitutie wereldwijd.