De rode telefoon regelt alles

Dat de Chinese Communistische partij machtig is, is bekend, maar er was een ervaren economisch journalist voor nodig om bloot te leggen hoe ze precies te werk gaat: geheimzinnig en corrupt.

Richard McGregor: The Party. The secret world of China’s communist rulers. Allan Lane, 301 blz. € 31,-

Jeffrey N. Wasserstrom: China in the 21-st century. What everybody needs to know. Oxford University Press, 106 blz. € 13,-

Martin King Whyte. Myth of the Social Volcano. Perceptions of inequality and distributive injustice in contemporary China. Stanford University Press, 250 blz. € 21,75

De presidenten-directeur van de grootste banken van China – en sinds kort van de wereld – dragen krijtstreep, spreken redelijk Engels, gebruiken in het buitenland Britse voornamen en lezen op hun Blackberry’s de Financial Times (FT). Hun collega’s van de energiebedrijven, de mediaconcerns en de projectontwikkelaars volgen via de Chineestalige versies van Bloomberg of The Wall Street Journal Asia de beurskoersen van Hongkong, Shanghai en New York.

In weinig lijken de Chinese topmannen en hun staven zich te onderscheiden van tegenspelers in Londen, New York of Tokio. Alleen staat op de bureaus van deze hoofdzakelijk mannelijke Chinese topmanagers een rode telefoon en bewaken hun secretaresses een speciaal faxapparaat dat ’s nachts achter slot en grendel gaat.

Als ‘de rode machines’ in het Mandarijn zoemen, weet iedere manager, minister, generaal, provinciegouverneur of hoofdredacteur dat de hoogste leiders van de Chinese Communistische Partij aan de lijn zijn. Het telefoonapparaat met vier geheime nummers is het ultieme statussymbool in China, de navelstreng tussen het machtscentrum in het Zhongnanhai, het ommuurde complex naast de Verboden Stad waar de negen belangrijkste leden van het Politbureau en hun families wonen, en de 300 managers die de belangrijkste industriële sectoren, de media, de ministeries en het leger besturen. Bezitters van de rode telefoon weten dan ook dat zij worden aangesproken als de Partij-secretaris van het staatsbedrijf, de krant of de stad. „Dat is een functie die vele malen belangrijker is dan de titel van CEO, gouverneur of directeur op het naamkaartje”, schrijft FT-journalist Richard McGregor in The Party.

Het is een directe en efficiënte manier om dwars door alle officiële bestuurslagen het uitgestrekte land te besturen. Hoe efficiënt, bleek in november 2008 toen de bankiers van de grootste staatsbanken via de rode telefoon opdracht kregen de geldkranen wijd open te zetten om te voorkomen dat China werd meegesleurd in de wereldwijde economische crisis. Duitsland en Nederland hebben daar tot op de dag van vandaag plezier van.

Alomtegenwoordig

Zo somt McGregor, die tien jaar voor de FT in Shanghai en Peking werkte, tal van voorbeelden op over de werking van de macht in China. ‘De Partij is net als God. Hij is overal aanwezig, alleen zie je hem niet’, citeert hij een hoogleraar van de Universiteit van Peking, die net als zijn collega’s deel uitmaakt van het Partij-netwerk.

Voor het ongeoefende oog is de Chinese Communistische Partij uit het beeld van spectaculaire wolkenkrabbers en luxueuze winkelcentra verdwenen, maar dat neemt niet weg dat achter de schermen van de tweede econonomie ter wereld de Chinese Communistische Partij een allesoverheersende rol speelt.

Op zichzelf is dat bekend, maar concreet onderzoek naar de wijze waarop de CCP precies functioneert in het dagelijkse economische en maatschappelijke leven is schaars. Hoe China wordt bestuurd, door wie en met welke doelstellingen is net zo relevant geworden als de vraag wie het Witte Huis bewoont.

Het is tegelijkertijd het weerbarstigste onderwerp denkbaar. De geheimzinnigheid waarmee het Politbureau in zowel kleine (negen leden) als brede samenstelling (24 leden) zijn werk doet is groot, lekken zijn verrassend zeldzaam, openbare en daardoor verhelderende conflicten doen zich niet voor. Politbureauleden geven nooit interviews, worden nooit loslippig na een paar glaasjes maotai en verschijnen alleen op strak geregisseerde evenementen.

Mede door het gebrek aan openheid en toegang tot personen en archieven kenmerkt de vloed aan boeken over China zich door een zekere eenvormigheid. Managementsgoeroes schrijven gidsen over hoe in China geld verdiend kan worden. Sinologen en journalisten beperken zich tot geschiedenis en culturele exotica.

Een zeer geslaagd voorbeeld van een combinatie van die twee zaken is overigens China in the 21st Century van de Amerikaanse historicus en Shanghai-kenner Jeffrey Wasserstrom. Hij beoogt de talrijke misverstanden in de VS en Europa over China te bestrijden. Zijn centrale stelling dat China een fascinerend en dynamisch land is, met aardige, open en in de wijdere wereld geïnteresseerde mensen, kan alleen maar onderschreven worden.

Maar het is het werk van een economisch journalist als Richard McGregor dat politiek vlees op de botten heeft. Hij had toegang tot de bovenlaag van bankiers, IT-ondernemers en nieuwe miljonairs die behoren tot het kader van de Partij. Een van hen vertelde hem over de angst voor de rode telefoon, maar ook over het verschil in status tussen een Audi 8 of een Audi 6 en over het afgeschermde leven van de Partij-top. Het beeld van de Corleone-familie uit de Godfather-films doemt op.

Misschien wel het interessantste hoofdstuk gaat over de werking van het Centrale Organisatie Departement, zeg de afdeling personeelszaken van de CCP. Dit Partijorgaan, dat net als alle andere Partijorganen boven de wet staat, heeft geen telefoonnummer, geen adres en geen naamkaartjes. ‘Niet nodig’, vertelt een hoge functionaris, ‘want iedereen die er toe doet in China kent ons’. Iedere topbankier, ondernemer, rechter, politiecommissaris, burgemeester of gouverneur wordt door het Centrale Organisatie Departement benoemd, beoordeeld, gepromoveerd of, en dat gebeurt jaarlijks in 90.000 gevallen, bestraft. Soms met de dood.

McGregor stelt vast dat ondanks alle economische veranderingen in China de Volksrepubliek wordt bestuurd op een wijze die Lenin, mocht hij heden terugkeren op aarde, meteen zou herkennen. ‘De structuur is die van een Leninistische bureaucratie met het Politbureau aan de top, een groot en geheimzinnig Partij-apparaat en een machtige staatsveiligheidsdienst’, aldus McGregor. De Partij functioneert onder, boven en naast het officiële bestuur zoals de Staatsraad (de regering), het Hooggerechtshof en het Nationale Volkscongres (het parlement) en heeft één prioriteit: de bestendiging van de macht van de CCP. Ideologie is van ondergeschikt belang gemaakt. Vasthouden aan het marxisme-leninisme werd na de ineenstorting van het Europese communisme gezien als de weg naar de ondergang. In feite werd de Chinese economie hervormd om de Partij veilig te stellen.

De koersverandering van een centrale planeconomie naar een hybridische markteconomie behoort inmiddels tot de onbetwiste historische gebeurtenissen van de 20ste eeuw. Het verklaart waarom de CCP en de Volksrepubliek nog bestaan, terwijl de Sovjet-Unie is ingestort.

Wraakzuchtig

McGregor gebruikt met opzet de term hybridisch, want van een echte markteconomie met een grote particuliere sector is nog geen sprake. De FT-journalist houdt het erop dat 70 procent van de Chinese economie in handen is van de staat, hij trekt de cijfers van de Wereldbank over de groei van het particuliere midden- en kleinbedrijf in twijfel, want dat zijn cijfers van Peking. En hij betwijfelt of buitenlandse bedrijven ooit toegelaten worden tot de sectoren waar het grote geld verdiend wordt. Goed voorbeeld is de stad Shanghai die kapitalistisch oogt, maar hoofdzakelijk staatsbedrijven herbergt. Het probleem met het Chinese model is, aldus McGregor dat de nieuwe economische reus wordt bestuurd door een Partijorganisatie die ‘geheimzinnig, corrupt en wraakzuchtig’ is.

Voorbeelden daarvan zijn er bij de vleet, iedere dag opnieuw. Herinneringen aan het misdadige Sanlu-schandaal in 2008 dat door McGregor gedetailleerd wordt beschreven, kwamen deze week weer boven toen bekend werd dat een Chinees bedrijf babymelk heeft verkocht dat de vroegtijdige ontwikkeling van seksuele organen in baby’s stimuleert. Pas na publicaties in een Hongkongse krant en op het internet kwamen de autoriteiten in actie.

McGregor heeft te lang in China gewerkt om zich te wagen aan toekomstprognoses, bijvoorbeeld over democratisering in China als gevolg van verder gaande economische liberalisering. Aan wensdenken horen journalisten van zijn kaliber trouwens niet te doen. Voorspellingen dat de CCP uiteindelijk wel ten onder moet gaan aan contradicties, interne strijd en de roep om democratie zijn bovendien voorbarig.

De CCP blijkt een uiterst taaie en intelligente organisatie te zijn die in staat is gebleken zichzelf te hervormen. De Partij heeft op het ogenblik 78 miljoen leden en wordt door jongeren beschouwd als een aantrekkelijk vehikel om carrière te maken. Het propaganda-apparaat is met behulp van Westerse tv- en krantenjournalisten en reclamemakers gemoderniseerd en er is een vorm van interne democratie ontstaan.

Dat neemt niet weg dat de tevredenheid over de successen (het aantal armen is in de periode 1981-2004 met een half miljard gedaald, de middenklasse groeit gestaag) overschaduwd wordt door onvrede over corruptie en de groeiende kloof tussen armen en nieuwe rijken. Het aantal ‘massaonlusten’ stijgt jaarlijks en de Chinese media besteden verrassend veel aandacht aan sociale ongelijkheid, milieuschandalen en arbeidsconflicten. De ‘harmonieuze samenleving’ van president Hu Jintao heeft dan ook een utopisch karakter en daar wordt niet geheimzinnig over gedaan.

Toch kan niet, zoals in de Westerse media vaak gebeurt, gesproken worden over een sociale vulkaan die op uitbarsten staat. Harvard-socioloog Martin King Whyte onderzocht in 2004 alle bekende uitingen van sociale onrust. In het wetenschappelijke en daardoor minder toegankelijke Myth of the Social Volcano komt hij tot de conclusie dat ondanks de tienduizenden demonstraties en openlijke conflicten tussen staat en burgers de economische markthervormingen in China breed worden geaccepteerd.

Er is veel kritiek op corrupte bestuurders en op de verstrengeling van Partij en bedrijven die het milieu vervuilen, maar toch wordt de leiding van de CCP geaccepteerd en gerespecteerd. Natuurlijk, echte tegenspraak wordt in een vroeg stadium gesmoord. Maar slechts weinigen verlangen werkelijk terug naar de revolutionaire tijden van Mao Zedong en de ‘ijzeren rijstkom’.

Maar, zegt Whyte, boven alles blijkt de Chinese tolerantie voor ongelijkheid verrassend groot te zijn. China vertoont ook in dat opzicht Amerikaanse trekjes, betoogt hij. Verwonderlijk voor wie bekend is met de Chinese nieuwjaarswensen is dat natuurlijk niet: ik wens U goede gezondheid, een bloeiend bedrijf en veel rijkdom. Zo lang de CCP dat mogelijk maakt voor een groeiende middenklasse, hoeven de leiders weinig te vrezen.