De grens binnen Israëls 'ondeelbare hoofdstad'

Deze zomer reizen onze correspondenten langs een grens – een echte, een culturele, een historische of een denkbeeldige – in hun gebied. Vandaag: langs de Groene Lijn tussen West- en Oost-Jeruzalem.

Een half uur duurt de wandeling, als je een beetje doorloopt. Van het verarmde Palestijnse vluchtelingenkamp Shu'afat naar de door toeristen druk bezochte Oude Stad van Jeruzalem. We lopen van noord naar zuid, langs een van de drukste wegen van Jeruzalem, maar zelden kom je wandelaars tegen. Een verdwaalde toerist probeert met een Lonely Planet vast te stellen waar hij zich bevindt.

Grenzen vind je overal in Israël en de Palestijnse Gebieden, honderden kilometers lang. Soms zijn ze niet te negeren, zoals de muur die de Gazastrook omheint, of die de Palestijnse stad Ramallah afscheidt van Jeruzalem. Soms wandel je er zomaar langs.

De Chaim Bar-Lev Boulevard is zo’n onopvallende grens. De boulevard, genoemd naar een bekende Israëlische officier uit de beginjaren van het land, scheidt ruwweg joods West-Jeruzalem van Palestijns, bezet Oost-Jeruzalem. Hij oogt saai – een toegangsweg tot het centrum van Jeruzalem, zoals je ze overal ter wereld vindt. Auto’s met forenzen razen ’s ochtends van noord naar zuid, de stad in. ’s Avonds gaan ze de andere kant op.

Om deze weg slingert de Groene Lijn, de bestandslijn die de grens van Israël na de zogeheten Onafhankelijkheidsoorlog van 1948 en 1949 markeerde. Hier bevond zich de beroemde Mandelbaum Poort, de militaire controlepost die mensen moesten passeren als ze Jordaans Oost-Jeruzalem wilden verlaten en Israëlisch West-Jeruzalem wilden betreden.

Maar meteen na de Israëlische annexatie van Oost-Jeruzalem, tijdens de Zesdaagse Oorlog van 1967, werden alle zichtbare scheidslijnen tussen oost en west weggepoetst. Jeruzalem is nu de ‘eeuwige en ondeelbare’ hoofdstad van Israël.

Toch is, voor oplettende toeschouwers, de grens tussen oost en west nog altijd zichtbaar. Links ligt de Palestijnse wijk Sheikh Jarrah, een oude wijk met uitbundige Arabische huizen. Vuilnis wordt er verzameld in grote groene bakken, waar af en toe de fik in gaat. Kapotte auto’s staan weg te kwijnen op verlaten parkeerplaatsen. Een oude begraafplaats is bedolven onder zwerfvuil. Een rijtje Palestijnse restaurants, populair onder expats, VN-personeel en journalisten, is het enige teken van levendigheid in Sheikh Jarrah.

Rechts zijn de hoge appartementsgebouwen van Mea Shearim te zien, de dichtbevolkte ultra-orthodox-joodse wijk. Het inwonertal groeit hard in deze arme wijk, waar veel mannen hun dagen vullen met bezoeken aan de synagoge of het religieuze studiecentrum.

Een groepje van vier jonge mannen verlaat de wijk en wil de weg oversteken. Ze dragen vilten hoeden en lange, zwarte jassen. Ze wonen in Mea Shearim, zegt Asher Cohen, een slanke twintiger. Deze ochtend gaan ze bidden in Sheihk Jarrah, waar zich tussen de Palestijnse huizen de voor joden heilige tombe van Shimon Hatzadik bevindt.

Rondom de synagoge zijn de laatste jaren steeds meer joodse kolonisten gaan wonen. „Het is een geschenk van God dat we weer in Shimon Hatzadik kunnen bidden”, zegt Cohen, die zoals veel mannelijke wijkbewoners theologie studeert. „Toen de grens nog was gesloten, waren joden hier niet welkom.”

Op een holletje steken de jonge mannen de weg over, de herrie van het chaotische autoverkeer trotserend. De weg is al jaren een bouwput. De gemeente Jeruzalem bouwt aan een financieel uit de hand gelopen lightrail-project, dat het fileprobleem moet oplossen. Aan de Chaim Bar Lev Boulevard staan al een paar haltes, maar ze zijn nog niet in gebruik.

Waar vroeger de Mandelbaum Poort stond, is het geluid van huilende katten te horen. Het komt uit de afgesloten tuin van de 90-jarige Asima Banan, wier onopvallende huis aan de Palestijnse kant van de boulevard staat. „O, poesjes toch”, zegt ze. Banan zorgt al haar leven lang voor de zwerfkatten die langs de boulevard wonen. Nu heerst er een ziekte, de jonge katten liggen dood te gaan langs de weg.

Van achter de verroeste poort van haar huis heeft Banan, een altijd ongetrouwd gebleven lerares, de politieke situatie rondom de boulevard keer op keer zien veranderen. Toen ze geboren werd, was het Ottomaanse rijk juist ingestort. Ze werd door de Britten bestuurd, toen door de Jordaniërs.

Toen de boulevard een desolaat niemandsland was, beleefden haar zwerfkatten er gouden tijden. Israël kwam in 1967, haar huis bevond zich precies in de frontlinie en werd zwaar beschadigd. ,,Ik dacht: die zullen ook zo wel weer weg zijn. Ik nam niet eens de moeite Hebreeuws te leren.”

Banan zwaait met haar stok en stuurt de katten weg. „Straks is dit misschien deel van een Palestijnse staat. God weet van wie ik straks ben.” Ze heeft alleen nog een ziekelijke zus, verder is er niemand om haar huis over te nemen als ze dood is. „Misschien komen de kolonisten wel om het over te nemen. Je ziet er steeds meer.”

Uit nieuwsgierigheid is ze eens de weg overgestoken, om Mea Shearim te bekijken. „Ik had daar niets te zoeken. Ik hoef er nooit meer te zijn.”

Orthodoxe joden die gaan bidden in Sheikh Jarrah, passeren haar huis. „Mijn leven lang heb ik in afwachting geleefd. Geen enkele overheerser houdt het hier lang vol. Je ziet het aan de weg: het is rommelig, niemand lijkt hier lang te willen blijven. Alleen ik ben hier altijd gebleven, met mijn katten. Al het andere is tijdelijk.”