Altijd maar schrijven over Marokkanen

Het is niet verkeerd om over criminele Marokkanen te schrijven. Maar zo eenzijdig als kranten tegenwoordig zijn, werkt vooral contraproductief, vindt Joanne van der Leun.

Het Tijdschrift voor Criminologie maakte onlangs een speciale uitgave over onderzoek naar criminaliteit en migratie. Het persbericht werd gretig opgepikt – althans die ene passage over oververtegenwoordiging van Marokkanen in de criminaliteit.

Dat criminaliteit gepleegd door Marokkaans-Nederlandse jongeren een hardnekkig probleem is, weet ik als criminoloog maar al te goed. Maar dat die elke keer als nieuws wordt gebracht, en dat elk ander thema rondom criminaliteit en migratie geen nieuws is, blijft me toch verbazen.

De relatie tussen criminaliteit, migratie en etniciteit wordt in Nederland al jaren onderzocht. Studies wijzen stelselmatig op een oververtegenwoordiging van allochtonen in alle fasen van het strafrechtelijk systeem. Dit begint bij de registraties als verdachte bij de politie en gaat door tot en met de penitentiaire inrichtingen. Al in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw werd deze oververtegenwoordiging geconstateerd, destijds vooral met betrekking tot Surinamers en Molukkers. Groepen waar we nu weinig meer over horen.

Kwantitatieve gegevens zijn steeds beter en deze worden aangevuld met langlopend onderzoek onder groepen zelf. Gezaghebbende buitenlandse criminologen roemen de grote hoeveelheid onderzoek in Nederland op dit punt.

Tot in de jaren zeventig en tachtig was de toon voorzichtig. Het wijzen op oververtegenwoordiging van bepaalde groepen was taboe. Maar die tijd is echt voorbij. Er kan bijna geen krant worden opengeslagen of het Marokkanenprobleem komt aan bod.

Natuurlijk zijn er hardnekkige problemen met bepaalde allochtone groepen, maar alle oververtegenwoordiging ten spijt, het gaat landelijk gezien om een probleem van overzichtelijke schaal. Uit recente gegevens van het CBS en justitie blijkt dat waar 1,6 procent van de autochtone mannen bij de politie geregistreerd is als verdachte, dit geldt voor 4,9 procent van de niet-westerse allochtone mannen. In welke groep we ook kijken, een minderheid komt met de politie in aanraking. Het beeld is echter divers. Ook Afrikaanse groepen scoren hoog, terwijl daar maatschappelijk meestal niet veel over te doen is. En Aziaten scoren bijzonder laag.

Nu vormen politiecijfers een onderschatting, maar de verdeling zal eerder minder scheef dan schever zijn. De politie zal eerder meer dan minder op niet-westerse allochtonen letten. Er is dan ook sprake van een vicieuze cirkel: hoe meer de politie zich richt op probleemgroepen, des te groter de kans dat die prominent in de cijfers terugkomen. En bij de desbetreffende groepen wordt de straatcultuur en het zich afzetten tegen de autoriteiten een belangrijk onderdeel van de groepsidentiteit, hetgeen de contacten van jongeren met de politie nog verder opdrijft. Zo is mede te verklaren dat het verdachtenpercentage bij tweedegeneratie Marokkanen uit een geboortecohort 1984 oploopt tot rond 50 procent voor het 22ste levensjaar; inderdaad schrikbarend.

De media springen bovenop een dergelijk cijfer, zonder te kijken naar de processen die aan deze cijfers ten grondslag liggen. Nieuws is alleen nieuws als er Marokkaan bij staat?

Zo langzaamaan mag ook wel eens gekeken worden wat het aandeel is van deze beeldvorming. Bekend is dat burgers zich bij hun onveiligheidsgevoelens niet zozeer laten leiden door directe ervaringen, maar meer door verhalen, indrukken en inschattingen.

De hoop dat de negatieve kijk op migranten bij de jongere generatie misschien minder zal zijn, doordat voor hen de gemengde samenleving meer een dagelijkse realiteit is, werd onlangs de grond in geboord. In een internationale enquête naar opvattingen over burgerschap bleken autochtone Nederlandse jongeren opmerkelijk vaak negatief te staan tegenover gelijke rechten voor immigranten (NRC Handelsblad, 29 juni). Dat belooft niet veel goeds. Hebben al die Nederlanders nu zoveel ervaringen met probleemgedrag van Marokkanen? Dat is zeer de vraag. Verreweg de meeste autochtonen komen niet in de wijken waar zich de meeste problemen voordoen. En mensen die wel in die buurten wonen, schrijven de problemen vaak niet toe aan Marokkanen. Zij wijzen erop dat er de laatste jaren veel bereikt is in de aanpak van criminaliteit en collectieve overlast. Waarom haalt dat nooit het nieuws?

Het is makkelijk om naar de media te wijzen. Maar het valt mij wel op hoezeer de pers gebrand is op hoge criminaliteitscijfers en rellen met Marokkaanse jongens in slechte wijken.

Voor alle duidelijkheid: er is niets op tegen om onderzoek op dit terrein te doen en daarover te berichten. Dat gebeurt ook op grote schaal. Maar er is wel wat op tegen om te blijven hangen in een bijna ritueel opvoeren van criminaliteitscijfers van een specifieke groep en verder het onderzoek – inclusief verklaringen en nuanceringen – te negeren. Dit is zelfs contraproductief. Als er iets opvalt in het recente onderzoek is het wel de diversiteit van de problematiek en de troosteloze eenzijdigheid van de berichtgeving daarover. Een meer open blik van journalisten zou het debat en de informatievoorziening aanzienlijk kunnen verbeteren.

Joanne van der Leun is hoogleraar criminologie aan de Universiteit Leiden.