'The privilege of a harlot'

Van mezelf had ik niet bepaald gedacht dat ik op mijn achterhoofd gevallen was. Maar nu is het toch gebeurd. Sterker: ik heb mijn nek gebroken – een uitdrukking die ik alleen in overdrachtelijke zin kende, althans gebruikte. En nu is dit in werkelijkheid met mij gebeurd. Zoals u ziet: niet met fatale gevolgen. Binnen tien dagen was ik in en uit het ziekenhuis. De wetenschap staat voor niets.

Al vóór mijn zondeval hield ik mij in mijn hoofd bezig met het thema waar ik de volgende keer eens over zou kunnen schrijven. Gelukkig was dat geen brandend actueel onderwerp. Dus kan het deze week ook nog mee. Het thema is: ‘Denken over democratie: ingangen en uitwegen.’ Daaraan is het dubbelnummer 7/8 van het maandblad Socialisme & Democratie gewijd.

Het is in de eerste plaats een opmerkelijk nummer omdat op de voorkant de beeltenis, ten voeten uit, prijkt van de grote liberaal Thorbecke, onder wiens staatkundige schepping van het midden der negentiende eeuw wij nog leven. Blijkbaar is er in ons land na hem geen socialistisch denker van zijn formaat geweest.

Twaalf auteurs van diverse pluimage heeft de redactie gevraagd hun licht over dit thema te laten schijnen: vier PvdA’ers, een CDA’er, een SP’er, een Groen-Linkser, twee D66’ers en twee van niet nader aangeduide politieke signatuur. Dus, ondanks Thorbecke, geen liberaal, althans geen VVD’er.

Maar misschien kunnen de twee D66’ers als liberaal gelden. Dat hangt ervan af hoe de partij zichzelf ziet. Zo’n dertig jaar geleden zag Brinkhorst zijn partij als liberaal. Van Mierlo was daar aarzelender over. Maar ja, hij kwam uit een Brabants-rooms nest, en roomsen beschouwen liberalen als kille kikkers. Sprak Lubbers niet eens over de „koude loyaliteit” van VVD’ers – en daar had hij dan nog niet eens zo’n ongelijk in.

Laten we ons, bij gebrek aan beter, bepalen tot de bijdragen van de twee D66’ers. De eerste is van Hans Engels, hoogleraar gemeenterecht / gemeentekunde (de Thorbecke-leerstoel) te Leiden en voorzitter van de D66-fractie in de Eerste Kamer; de andere is van Jan Vis, oud-hoogleraar staatsrecht te Groningen, oud-lid van de Eerste Kamer en van de Raad van State. En van die twee, ja van alle auteurs, is Vis de enige die Thorbecke bij name noemt. Hij zegt dit van hem: „Thorbecke vond democratie een gevaarlijk ding, een verschijnsel dat verband hield met oproer, revoluties en terreur, kortom met de Franse Revolutie” (en niet alleen die van 1789, maar ook die van 1830 en 1848). De Eerste Kamer bleef de belangrijkste Kamer, en de koning legt pas de eed op de Grondwet af nadat hij, door overlijden of abdicatie van de vorige koning, al automatisch koning is geworden (anders dus dan in België).

De soevereiniteit werd toen niet – en nu volg ik de bijdrage van Engels, „bij het volk of de nationale grondslag voor politieke macht, maar bij de uit ‘de aanzienlijken uit het volk’ samengestelde grondwetgever” gelegd. Noch bij de conservatieven noch bij de christelijken had men veel op met de volkssoevereiniteit. Kortom, het werd een ‘getemperde monarchie’, maar ook een getemperde democratie.

Het geheel doet onmiddellijk denken aan Thorbeckes tijdgenoot Alexis de Tocqueville, wiens werk over de democratie in de jonge Verenigde Staten, die hij in de jaren 1830 had bezocht, van duurzamer gehalte is gebleken dan alle werken van die andere tijdgenoot: Karl Marx.

Ook de aristocraat Tocqueville was geen democraat in hart en nieren, maar hij had haar, anders dan Thorbecke, in Amerika in werking gezien en was tot de overtuiging gekomen dat zij de geest van de tijd vertegenwoordigde. Het was zinloos zich tegen deze nieuwe stroom te verzetten en even zinloos met weemoed te staren naar de wrakstukken die de stroom nog aan de oever had gelaten.

Maar wat dan? De enige mogelijkheid was „de democratie te onderwijzen, haar overtuigingen zo mogelijk nieuw leven in te blazen, haar zeden en gewoonten te zuiveren, haar bewegingen te kanaliseren, haar instincten beetje bij beetje te vervangen door haar werkelijke belangen; haar bestuursvorm aan tijd en plaats aan te passen: haar te veranderen al naar gelang de omstandigheid en de mensen dat vereisen”. (Vertaling Marijn Kruk.)

Want als dat niet gebeurt, dreigt het gevaar van het ‘democratisch despotisme’: een gigantische bevoogdende macht, die mensen op geraffineerde wijze kleineert en hen uiteindelijk reduceert tot een kudde gewillige en nijvere wezens waarvan de regering de hoeder is. Een milde, door de meerderheid gedulde, zo niet zelfs toegejuichte, dictatuur. We zijn dan niet ver af van een fascisme met een menselijk gezicht (als dat mogelijk is).

Of anders: als de stroom zich niet laat temperen, reguleren, kanaliseren, in goede banen leiden, dan dreigt het gevaar dat de angstige burger zijn heil zoekt bij een heiland – al dan niet in uniform. Het verschil met het vorige model is niet wezenlijk. Referenda effenen de weg naar die vormen van directe democratie.

Moeten bewegingen die door grote massa’s gesteund worden – ik spreek niet van militaire dictatoren à la Franco of Pinochet – ondemocratisch genoemd worden? Ook Wilders is niet ondemocratisch, ook niet rechts (zoals Thierry Baudet zeer juist in Vrij Nederland van vorige week schrijft), want zijn sociale programma is eerder links (en bedreigt dáárdoor PvdA en SP). Maar wat het ergste is, is dat hij invloed op het beleid krijgt zonder verantwoordelijkheid te dragen. Dat is wat de conservatief Churchill the privilege of a harlot noemde (het voorrecht van een hoer).

Bericht aan de lezers: sinds de intrede van internet is mijn correspondentie verdubbeld, zo niet verdriedubbeld. Tot nu toe heb ik mijn best gedaan alle aan mij persoonlijk gerichte post te beantwoorden. Ik weet niet of dit mij zal blijven lukken. Zo niet, dan vraag ik om clementie. Die post zal ik wel blijven lezen.

U kunt online reageren op nrc.nl/heldring

Rectificaties / gerectificeerd

Correcties & aanvullingen

In de column ‘The privilege of a harlot’ (Opinie, 19 augustus, pagina 7) wordt die uitdrukking toegeschreven aan Churchill. Hij is echter afkomstig van de conservatieve premier Stanley Baldwin, die hem had ontleend aan zijn neef Rudyard Kipling. Hij doelde op de macht van de, eveneens conservatieve, press lords. Hij sprak overigens van „the prerogative of the harlot throughout the ages”.