Publiek voelt magie bij de terugkeer van oude idolen

De reünietrend in de popmuziek floreert al jaren. Ook skagroep The Specials is weer bijeen. Hun muziek en onderwerpen – economische malaise, onverdraagzaamheid – blijken onverslijtbaar.

Het begint met een telefoontje. Schuchtere bandleden, een manager; de stemming wordt gepeild, voorwaarden gesteld. Na die etappe volgen de oriënterende gesprekken in een pub of restaurant, in gezelschap van agenten, impresario’s. En dan is er de hereniging in de oefenruimte: muzikanten die jarenlang razend op elkaar waren, die zich verraden en beledigd voelden, repeteren de liedjes die ze ooit samen hadden bedacht. Uiteindelijk is daar hét moment: de originele bandleden spelen samen op het podium hun glorienummers.

De reünie speelt de afgelopen tien jaar een steeds grotere rol in de popmuziek. Deze ontwikkeling hangt samen met een andere trend: het groeiende belang van liveconcerten. Voor popmuzikanten leidt de terugvallende cd-verkoop tot een grotere noodzaak om op te treden. Vaak zijn het concertorganisatoren en promotors die het initiatief nemen. Met mooie beloftes en een riant honorarium worden de ex-bandleden gepaaid.

Bij bijna iedere opgebroken band komt het moment dat reüniegeruchten de ronde doen. Zelfs notoire ruziemakers als My Bloody Valentine en Gang Of Four kwamen weer bij elkaar, en de onlangs gerealiseerde hereniging van The Libertines laat zien dat een band niet zo lang uit elkaar hoeft te zijn om al van een bonafide ‘reünie’ te kunnen spreken.

Dit jaar wordt er op Lowlands uitgekeken naar de reünie van de Britse band The Specials (1977-1984); een hereniging die zes jaar in de week heeft gelegen. Want Jerry Dammers, oprichter en voornaamste songschrijver van de band lag dwars, en de andere bandleden vonden dat geld niet opwoog tegen een slechte onderlinge sfeer. Maar toen het 30-jarig jubileum van de oprichting van de band in zicht was, kreeg gitarist Lynval Golding, inmiddels huisvader in Seattle, de anderen zo ver dat ze zin kregen in een tournee langs middelgrote zalen. Alleen Dammers, die liever een eenmalig megaconcert gaf, haakte af.

Eind jaren zeventig was The Specials het boegbeeld van de Britse skabeweging. De zeven muzikanten grepen terug op ska-acts uit de jaren zestig, als Desmond Dekker en The Skatalites, en combineerden de snelle skaritmes met de esthetiek van de new wave. De blanke Terry Hall, die met overslaande stem en onvervalst straataccent de grauwe sfeer van zijn tijd beschreef, kreeg tegenwicht van zijn zwarte sidekick Neville Staple, die de Jamaicaanse medeklinkers stoer liet rinkelen. Ze hadden hits met liedjes als Stereotype, Enjoy Yourself en Ghost Town, en waren populair tot in Amerika.

Maar dit was meer dan een band, de groep had een missie. The Specials was een van de eerste popgroepen met zwarte én witte muzikanten. Hun streven naar raciale harmonie was terug te zien in het zwart-wit geblokte logo, in de naam ‘Two Tone’ van het eigen platenlabel en in hun verzet tegen racistische skinheads en leden van de destijds actieve ultrarechtse partij ‘National Front’.

Rond The Specials ontstond in die jaren een ware jeugdbeweging, die opviel door hun manier van kleden (zwart-wit geblokt) en dansen (met hoekige arm- en beenbewegingen). Concerten draaiden regelmatig uit op vechtpartijen in het publiek, tussen zwarte jongeren en skinheads, of juist op een hartstochtelijk vertoon van broederschap.

Begin jaren tachtig ging het mis; door druk van buitenaf – het geweld en gedoe met politiebewaking bij concerten – en door toenemende irritatie tussen de perfectionistische Dammers, die dagenlang in de studio wilde bivakkeren, en de rest van de band. In 1984 werd The Specials definitief opgeheven en zochten de muzikanten hun heil in andere bands: bassist Horace Panter in General Public; gitarist Roddy Byars in The Skabilly Rebels; zanger Terry Hall in Fun Boy Three en The Colourfield.

De reünie komt precies op het goede moment. Niet alleen omdat de muziek van The Specials onverslijtbaar is, maar ook omdat hun onderwerpen – economische malaise, raciale onverdraagzaamheid – als vanzelfsprekend in dit tijdvak passen.

Ook als een band niet meer bestaat, kan zijn faam nog toenemen; dankzij opnieuw uitgebrachte cd’s, door uitgaven van tot dan toe onbekende liedjes, en doordat anderen de band tot ‘voorbeeld’ hebben uitgeroepen. Naar de reünie van The Pixies werd door zo veel mensen uitgekeken, mede doordat Kurt Cobain ze zijn idolen had genoemd; Lily Allen en Damon Albarn (Blur, Gorillaz) zijn medeverantwoordelijk voor de opwinding over The Specials-reünie.

Wie tijdens de eerste ronde van zijn bestaan ‘cult’ was, kan na de reünie ineens ‘mega’ blijken. Pavement, dat in 2000 uit elkaar ging wegens gebrek aan succes, speelde dit voorjaar een week lang in een uitverkochte Brixton Academy, in Londen, en zag al haar optredens in Amerika uitverkopen. The Stooges, die begin jaren zeventig nog van het podium werden gejaagd met regens van bierflessen, spelen nu als hoofdact op festivals.

Reünieconcerten laten zich moeilijk beoordelen. De magie van de terugkeer overstijgt criteria als ‘Hoe hecht is het samenspel’, of ‘Klinkt het nog fris?’ De toeschouwer kan zich, door zijn oogharen kijkend, eindelijk voorstellen hoe het was: tien, twintig, of dertig jaar geleden. Hij is meer geneigd zich af te vragen of de muzikanten er plezier in hebben, dan zich te storen aan moeizame noten van de zanger of een stroeve overgang in het refrein. Een vermoeden van betrokkenheid is genoeg.

Op Bestival, een festijn op het Isle Of Wight, geven The Specials hun eerste reünieoptreden. In een tent op de heuvel laat Horace Panter de snaren trillen, slaat John Bradbury een roffel, en knettert het skaritme naar buiten. Neville Staple drukt zijn hoed op z’n hoofd, Hall buigt zich voorover naar de microfoon. Voor het eerst in bijna dertig jaar zegt hij: „Enjoy yourself, it’s later than you think.”

The Specials, vrijdag 20 augustus op Lowlands, 21.10 uur.