Oud voedingskannibalisme

Vroege mensen aten elkaar op om de voedingswaarde. En om lokale concurrenten uit de weg te werken. Zo deden voorouders van de mens het 800.000 jaar geleden in het Atapuerca-gebied in Spanje. Tenminste, dat denken Spaanse onderzoekers die de botten van Homo antecessor uit de Gran Dolina-grot nader onderzochten. De onderzoekers onder leiding van Eudald Carbonell zetten hun hypothese uiteen in het augustusnummer van Current Anthropology.

Dat de snijsporen op de botten duiden op kannibalisme, was bekend, maar Carbonell en zijn collega’s wijzen erop dat de snijsporen volkomen te vergelijken zijn met de snijsporen op de botten van andere grote zoogdieren in de grot. „Deze slachttechnieken zijn primair gericht op het verkrijgen van zoveel mogelijk vlees en merg, op een maximale exploitatie van voedingsstoffen”, aldus de Spanjaarden. „Eenmaal opgegeten, werden de menselijke én niet-menselijke overblijfselen weggegooid, vermengd met stenen werktuigen.” Dit waren geen eerbiedige kannibalistische begrafenisgewoonten. En kannibalisme uit honger is ook onwaarschijnlijk omdat er genoeg dierlijke prooi rondliep in het gebied.

Homo antecessor ging regelmatig jagen op naburige groepen, denken de onderzoekers. Een extra aanwijzing daarvoor is dat zes van de elf individuen uit Gran Dolina kinderen waren. Jonge mensen zijn het makkelijkst te vangen. En zo leverde het bestrijden van concurrenten ook wat te eten op.

Dat daar mensachtigen zijn geslacht is onmiskenbaar, zegt desgevraagd ook de Nederlandse archeoloog Wil Roebroeks. „Maar ik denk dat deze onderzoekers met hun gefilosofeer over de rol van kannibalisme veel verder gaan dan de gegevens toelaten. Intenties fossiliseren niet, alleen handelingen.”