Leren hoe je boeven vangt met DNA

Voor technische rechercheurs in opleiding verzorgt het NFI een practicum waar de agenten leren omgaan met dit bewijsmateriaal.

„Oooooh! Is dit het?!” Acht mannen en vrouwen in witte jassen werpen verwonderde blikken op plastic reageerbuizen die ze in hun handen klemmen en tegen het tl-licht boven hun hoofd houden. Ze zijn gevuld met een transparante vloeistof, met middenin slijmerige slierten. Zojuist hebben ze een heel nieuwe ervaring opgedaan: het isoleren van DNA. DNA, dat fenomeen waarmee ze dagelijks worden geconfronteerd, maar dat tegelijk zo abstract is.

Normaal dragen deze mannen en vrouwen geen wit. Het zijn politiemensen die ervoor kozen zich te specialiseren als technisch rechercheur. Drie jaar lang twee dagen per week terug naar school betekende dat voor hen, maar dit hadden ze nog nooit gedaan. Het echte DNA-werk, dat was voor hen hocus pocus.

In de praktijk hoeven ze dat ook nooit te doen, het analyseren van DNA-materiaal. Het DNA veilig stellen op de plaats delict, dat wel. Maar het vervolgonderzoek laten ze over aan de experts van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) of een ander gespecialiseerd laboratorium.

Om meer inzicht te geven in de praktijk aldaar organiseert het NFI woensdag in de labzaal van de Politieacademie in Apeldoorn voor de tweede keer een practicum, samen met het Forensic Genomics Consortium Nederland (FGCN). Het practicum is ontwikkeld voor bèta-leerlingen uit 4 en 5 vwo en is aangepast op het kennisniveau en de praktijk van de rechercheurs. De meeste aanwezige rechercheurs zijn al zeker een paar jaar actief in het vak. Enige basiskennis deden ze tijdens hun specialisatie wel op, maar die beperkte zich tot protocollen voor het opsporen en vooral niet besmetten van DNA-bewijsmateriaal.

NFI-onderzoeker Lex Meulenbroek gaf vanochtend een inleidende lezing over genetisch materiaal, donderdag volgen nog lessen over andere sporen. Vanmiddag kijkt hij toe hoe zijn collega Gerrianne van der Velde van het FGCN het practicum leidt.

Zij schotelt de rechercheurs een casus voor: „Twee verdachten van een supermarktoverval zijn opgepakt en hebben wangslijmvlies afgestaan. Verder is er DNA-materiaal van een van de caissières. Jullie gaan onderzoeken of de gevonden bivakmuts afkomstig is van een van de verdachten, op basis van aangetroffen bloed- en speekselsporen.”

Het DNA dat de rechercheurs zojuist isoleerden, kwam uit een stuk kalfsvlees van de slager, dat eerst in een blender gevuld met water tot losse cellen was verpulverd. Zout maakte de cellen en eiwitten kapot, alcohol deed het DNA samenklonteren. De verdere analyse gebeurt wél met menselijk DNA. Terwijl enkele toehoorders nog even gefascineerd kijken naar de inhoud van hun buisje, legt Van der Velde met behulp van een filmpje uit hoe het DNA eerst vele malen gekopieerd wordt om het analyseerbaar te maken.

Ingespannen blikken richten zich op de practicumleidster. Alles wat ze zojuist zagen, gebeurt op een niveau dat zelfs door een microscoop niet zichtbaar is. „Het is zo klein, dat je je niet kunt voorstellen hoe je dat praktisch doet”, merkt een van de agenten op. Zijn buurman kijkt naar het plastic buisje waarin het DNA en de reagentia zich bevinden. „Ik heb het idee dat er niks in zit. Eigenlijk is het ongelofelijke fictie. Ach, zolang je er boeven mee pakt!”

Voor het met een felgele pipet overbrengen van het DNA naar het ‘kopieerapparaat’ gaan de haarnetjes op en mondkapjes voor. Ieder stukje DNA van de rechercheur dat per ongeluk in het buisje terechtkomt wordt meegekopieerd, waardoor het resultaat volledig onbetrouwbaar wordt. „We mogen wel eerst met water oefenen, toch?”

Even later zijn de DNA-preparaten klaar voor analyse. Daarbij loopt het negatief geladen DNA door een capillair waarop een spanning staat. Grotere stukjes worden meer afgeremd dan kleine. Een laser die op de uitgang schijnt, wordt door passerende stukjes heel kort onderbroken, en produceert in de grafiek op het scherm een piekje.

Intussen puzzelen de rechercheurs met vooraf uitgeprinte DNA-profielen: het DNA van verdachte twee matcht met het speeksel op de bivakmuts, het bloed ‘matcht’ met de caissière. Standaard worden er in het NFI tien korte, specifieke stukjes DNA (zogenoemde loci) onderzocht, die bij ieder individu kunnen verschillen. Hoe meer stukjes je vergelijkt, hoe kleiner de kans dat een willekeurig van de straat geplukt persoon hetzelfde profiel heeft. Bij tien loci is die kans al ruimschoots kleiner dan een op een miljard.

Tijd voor de eigen resultaten. Van der Velde kijkt treurig. „Misschien is er iets misgegaan bij het pipetteren, of zat er toch te weinig DNA in jullie buisjes.”

Voor de rechercheurs maakt het weinig uit. Voor hen is de middag geslaagd. „Wat eerst onzichtbaar was, is nu tastbaar”, zegt er een. „Het is toch gek dat we dit pas krijgen nadat we al jaren hebben gewerkt. Nu heb ik meer inzicht en weet ik eindelijk wat ik met de rapportages over DNA-onderzoek aan moet”, vult een vrouwelijke collega aan.

Als de rechercheurs even later zijn vertrokken ruimt Van der Velde haar spullen op. Ze sleept ze naar een bestelbusje in een grote zwarte box die nog het meest lijkt op een gigantische goocheldoos. Maar dan wel een waarvan deze agenten na vanmiddag de trucs kennen.