Het gevalletje-oranje lost z'n problemen liever zelf op

Als de gordijnen ergens te lang dichtblijven, belt het interventieteam van de Rotterdamse sociale dienst aan. „We geven ze alleen een duwtje, we lopen nooit harder dan de klant.”

In welke woonkamer ze ook komen, vrijwel altijd treffen ze „een joekel van een tv” aan. En opvallend vaak het allernieuwste breedbeeldmodel. Smalle beurs of niet, op televisies wordt niet bezuinigd in Rotterdam-West. Negen van de tien keer staat het toestel ook aan, vertelt Simon van der Horst. „De hele dag, van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat, domweg omdat het voor onze klanten de enige vorm van afleiding is.”

Van der Horst (21) en zijn collega Nicole Schouten (45) zijn respectievelijk basiscoach en werkbegeleider bij Frontlijn Delfshaven, een speciaal interventieteam van de Rotterdamse sociale dienst. Vijf dagen per week bellen zij aan bij bewoners van vijf wijken in de sociaal kwetsbare deelgemeente Delfshaven (73.000 inwoners): Bospolder, Nieuwe Westen, Schiemond, Coolhaveneiland en Tussendijken. Hun opdrachtgevers zijn de deelgemeente en de woningcorporaties Com.Wonen en Woonbron.

Onze taak is helder, legt Schouten uit. „Mensen helpen hun problemen op te lossen.” Zonder daarbij de regie volledig over te nemen, voegt ze daaraan toe. Zelfredzaamheid staat voorop. Van der Horst hanteert een strenge stelregel: „Nooit harder lopen dan de klant, want dan werk je slechts aan de korte termijn. We geven ze een duwtje en wijzen de weg. Als we alles uit handen zouden nemen, weten we één ding zeker: vroeg of laat gaat het weer fout.”

De namen plus de bijbehorende adressen krijgen Schouten en Van der Horst onder meer van de corporaties. „Na aanhoudende klachten van buren of omdat de huurachterstand blijft oplopen.”

Zelf beschikken zij inmiddels ook over een omvangrijk netwerk. „Als ergens de gordijnen te lang dichtblijven, dan horen of zien we dat, en trekken we zelf aan de bel.” Letterlijk. In de eerste twaalf maanden sinds de oprichting van Frontlijn, op 1 juni 2009, belde het team aan bij 744 adressen. In 154 gevallen leidde dat tot een ‘begeleidingstraject’.

Vandaag staan twee huisbezoeken op de agenda, te beginnen bij een Surinaams echtpaar in Schiemond. De man (57) is afgekeurd; hij worstelt met fysieke en psychische klachten sinds de Bijlmerramp (1992). Zijn vrouw (51) heeft haar baan als schoonmaakster moeten opzeggen, omdat zij getroffen is door kanker. Haar werkgever weigert de financiële verplichtingen na te komen, vertelt Schouten. Het echtpaar – geen kinderen – moet rondkomen van 900 euro per maand. „Een typisch geval van oranje.” Met andere woorden: hier moet snel een doorbraak worden geforceerd. „Anders groeit de ellende ze echt boven het hoofd.”

In de smal bemeten flatwoning wordt al snel duidelijk dat het echtpaar door de bomen het bos niet meer ziet. Alle relevante brieven en documenten worden bewaard in een plastic boodschappenbox. Als Schouten vraagt om de verzekeringspolis, trekt de man een bijna wanhopig gezicht. Koortsachtig graaft hij in de stapel papieren. Tevergeefs. Schouten stelt hem gerust. „Geeft niks, komt de volgende keer wel.” Bij het afscheid drukt zij het tweetal op het hart „vooral niet bescheiden” te zijn.

In het trapportaal verklaart Schouten zich nader. „Deze mensen willen de maatschappij niet tot last zijn. Ze lossen hun problemen liever zelf op, ze weten alleen niet hoe. Trots zit hun een beetje in de weg. Terwijl de vrouw dringend medische hulp nodig heeft. Hadden wij destijds niet aangebeld, dan waren deze mensen vermoedelijk weggekwijnd achter hun eigen voordeur.”

Van der Horst knikt. Hij heeft zojuist, op de bank bij het echtpaar, weinig gezegd. Toch gaan Schouten en hij steevast samen op pad. „Voor onze veiligheid en om later eventuele misverstanden te voorkomen over wie wat heeft gezegd of beloofd”, zegt hij.

Nog zo’n huisregel: laat kinderen nooit optreden als tolk. Geregeld komt het team over de vloer bij gezinnen waar vader noch moeder Nederlands spreekt. Van der Horst: „We nemen liever zelf een tolk mee dan dat we kinderen belasten met de ellende van hun ouders.”

Toch gebeurt dat, die middag bij het tweede huisbezoek. Met grote ogen volgt een negenjarig meisje het gesprek tussen Van der Horst en Schouten, en haar Turkse moeder die wordt bijgestaan door een buurvrouw. De laatste spreekt wel Nederlands en maakt zich grote zorgen. Haar vriendin is in gevaar, hetzelfde geldt voor de twee dochters (9 en 12). Vader heeft moeder bedreigd met een hakbijl en zit daarom nu in de gevangenis. Binnenkort komt hij vrij. Moeder heeft dringend een veilig heenkomen nodig, maar de twee oudste zoons (20 en 21) kunnen en willen niet mee. Zij koesteren ook sympathie voor hun vader.

„Kunnen de jongens de huur van de woning niet overnemen en de meisjes met de moeder ergens anders wordt ondergebracht?” vraagt de buurvrouw. Dat laatste lijkt verstandig, zegt Schouten, het eerste niet. „De jongens staan bij de corporatie niet geregistreerd als huurders, dus die zullen helaas op straat belanden.” Die gedachte alleen al doet de moeder huiveren. „Welke moeder laat haar eigen kinderen nou alleen, zeker in deze onveilige buurt?” vertaalt de buurvrouw.

Terug op straat voeren Schouten en Van der Horst crisisberaad. Schouten: „Dit is echt ‘een gevalletje-rood’. Morgen pakken we door, maar dan niet meer in het bijzijn van de kinderen.”

De huisvestings- en veiligheidsproblemen van het Turkse gezin staan niet symbool voor de dagelijkse werkelijkheid in Rotterdam-West. Werk en inkomen blijken de grootste struikelblokken, vertelt Van der Horst. „Mensen geven te snel en te makkelijk geld uit. Ze zitten onder het bestaansminimum [zo’n 1.000 euro per maand] maar besteden bijvoorbeeld wel elke maand 180 euro aan loten. In de hoop dat op een goede dag de jackpot valt. Heel naïef. Op zulke mensen moet je vooral inpraten.”

Wie zijn zaken na verloop van tijd op orde heeft, bijvoorbeeld door harde afspraken met de schuldhulpverlening, verdwijnt uit het klantenbestand van Frontlijn. „Maar we blijven nabellen om te checken of mensen niet toch terugvallen”, zegt Schouten. Zelf sluiten Van der Horst en zij elke werkdag af met een ‘debriefing’. „Om alle emoties van de dag een plek te geven, zodat we de ellende niet mee naar huis nemen.”