Beteugelde driften

„Seks, seks, ik wil seks.” Met een hijgerige blik in de ogen stort ik me op mijn tegenspeler die zich een hoedje schrikt. Ik geloof dat ik mezelf nooit eerder zo voor schut heb gezet. Dat improvisatietoneel doet rare dingen met me. Vorige week likte ik vol overgave als een baby aan een stoelpoot.

De controle loslaten. Als we dat kunnen zijn we een heel eind op weg naar meesterschap in de levenskunst, zeggen vele psychologen, psychiaters, spirituele leraren en andere begeleiders. Maar meestal kunnen we het niet, al hebben we dat vaak niet door. Ongemerkt doen we er alles aan om niet uit de toon te vallen. Voor sommige mensen betekent dat overigens dat ze zich inzetten om juist wel uit het gareel te lopen, wat nog steeds controle willen houden is.

Als je jezelf toestaat volledig uit de band te springen, kan dat behoorlijk shockerend werken. Hoe kan ik accepteren dat ik mezelf dan vreselijk primair gedraag? Is het niet beter dat we altijd een bepaalde mate van controle behouden? Zijn we niet juist geëvolueerd omdat we geleerd hebben onszelf en onze driften te beteugelen?

Voor het antwoord op deze vragen ga ik te rade bij een vriend die hoogleraar aan een bètafaculteit en meditatieleraar is. Hij zegt: „Driften beteugel je als ze onhandig zijn. We zijn geconditioneerd en blijven dat ook. Waar het om gaat is om onhandige conditioneringen af te leren.”

De kunst is om te ontdekken op welk moment een drift of conditionering onnuttig is. Vervolgens kun je dan proberen om die drift voor dat moment te beheersen. Als je bijvoorbeeld tijdens een vergadering zin heb om eens lekker te gillen, is het over het algemeen niet heel handig om dat ook te doen.

Maar bijvoorbeeld op het podium is het natuurlijk nuttig om oergevoelens te tonen, het publiek smult ervan. Al kun je op het toneel uiteraard ook over de top gaan en je daarover rot schamen. Wil je dan nog kunnen doorspelen, dan zal je die schaamte vervolgens weer moeten beteugelen. Tenzij je de conclusie trekt om voortaan voor altijd achter de coulissen te staan.

katja teunissen