Vrouw ter Nood

Het regende in Bergen, Alkmaar en ten slotte ook in Heiloo, waar we met de trein aankwamen. Heiloo bezit een vermaard bedevaartsoord, onder meer bekend uit het werk van Gerard Reve, maar het dorp lijkt er weinig trots op. Nergens was bij het station een verwijzing naar de gewijde grond van Onze Lieve Vrouw ter Nood te vinden.

De gebouwen bleken een half uur gaans buiten het dorp te liggen. Geen bezwaar. Ontberingen versterken het bedevaartsgevoel. Het hield bovendien op met regenen, alsof Maria – niemand anders dan zij is Onze Lieve Vrouw ter Nood – ons nu al ter wille was.

We vonden het religieuze complex – klooster, kerk, kapel, kerkhof, kantine – een loodgrijze lucht in de verlatenheid van de vrije natuur. „Een waar monument van wat opofferingsgezindheid en slechte smaak tezamen vermogen”, had Reve in Moeder En Zoon geschreven. Hier zou Maria al sinds eeuwen haar genade aan bezoekers schenken met de woorden: „De wind – de zegen van mijn lieve Zoon – zal waaien wanneer ge mij vereren gaat.”

Voor de kapel staat een put die in 1713 Mariabron werd en geneeskrachtig water zou geven. Met een schepje, verbonden aan een lange stalen ketting, kan iedereen het water bovenhalen. Niet strikt noodzakelijk, want in de kapel kan voor 1,50 euro per flesje hetzelfde water gekocht worden.

Het kan druk zijn op het terrein, maar er waren op deze dag vrijwel geen bezoekers, afgezien van een groep bejaarden die per bus was gearriveerd. Wij liepen eerst naar de grote Bedevaartskerk waar niemand was. Bij de ingang lag een gastenboek waarin in allerlei talen dankwoorden en hartekreten waren opgeschreven.

„Lieve Moeder Maria, zorg voor ons allen nu we op ons eigen eiland leven.” „You’ll never walk alone if you walk with Jesus!” „Pastoor Punt, wij willen en moeten pastoor Paul Vlaar terug, dan is de Kerk weer bomvol in Obdam. Ik hoop dat u deze boodschap begrijpt.”

Voor het altaar stonden in bakken tientallen kaarsen die je voor 50 eurocent per stuk kon aansteken.

„Eentje voor mijn moeder”, zei mijn vrouw. „En eentje voor Van Agt”, zei ik. „Van Agt?”

„Voor zijn protestactie tegen Verhagen.” Het leek een ontoelaatbare vermenging van Kerk en Staat, en we liepen na onze daad dan ook haastig naar de kapel waar de bejaarden van de bus zich verzameld hadden. Hier had Reve ooit een uiterst onzedelijke, maar misschien juist daarom onweerstaanbare drang niet kunnen weerstaan. „Ik opende mijn gulp”, schreef hij in Moeder En Zoon, „trok mijn zich reeds half tot vuurbereidheid verheven liefdesdeel tevoorschijn en begon, terwijl ik de Moeder Gods strak aankeek, het snel te beroeren.”

Voor het altaar van de kapel stonden tientallen kaarsen te branden. De dienst was net afgelopen. Niet tot ieders tevredenheid. Sommige bejaarden liepen, samen met hun begeleiders, mokkend naar de uitgang. Een vrouw bleef in de bank staan en riep: „Was dit alles? Vroeger kwam ik hier alleen, toen met man en kinderen en nu had ik weer zo’n mooie dienst verwacht. Maar dit was veel te kort. Ik vind het goed waardeloos. Schandalig!”

Onder het toeziend, maar machteloos oog van Maria – een beeld hoog boven het tabernakel tegen een blauwige achtergrond – werd de vrouw met zachte hand naar de bus afgevoerd.